Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
06-1794 WWB
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2011:BR6124
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BG4846
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Juiste informatie verstrekken over woonadres. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 193

Uitspraak

06/1794 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 februari 2006, 05/4799 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. A.C.H. Walkate, advocaat te ’s-Gravenhage. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. T.B. de Best, werkzaam bij de gemeente Wassenaar.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 1 januari 2001 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van het gerezen vermoeden dat appellant niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres [adres 1] te [plaatsnaam] heeft de Sociale Recherche Leidschendam-Voorburg (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer inlichtingen ingewonnen bij het water- en energiebedrijf en is op 3 maart 2005 een bezoek afgelegd op evengenoemd adres. Op basis van de bevindingen van dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 4 maart 2005, heeft het College geconcludeerd dat appellant niet op bovengenoemd adres woonde. Bij besluit van

14 maart 2005 heeft het College de bijstand daarop met ingang van 1 februari 2005 beëindigd (lees: ingetrokken).

Bij besluit van 21 juni 2005 is het tegen het besluit van 14 maart 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 21 juni 2005 ingestelde beroep op formele gronden gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 21 juni 2005 in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat naar vaste rechtspraak de vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige inlichtingen over zijn woonadres te verstrekken aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

Uit de rapportage van de sociale recherche komt onder meer naar voren dat in de woning [adres 1] over de periode van 11 februari 2004 tot en met 10 februari 2005 sprake is geweest van een waterverbruik van 2m3. Reeds op grond van dit extreem lage waterverbruik moet uitgesloten worden geacht dat appellant ten tijde in geding in deze woning zijn hoofdverblijf had, ook indien in aanmerking wordt genomen dat appellant - zoals hij heeft aangevoerd - veelvuldig elders (onder meer bij [v.d. B.] met wie hij beweerdelijk een LAT-relatie onderhoudt) heeft verbleven. In dit verband komt mede betekenis toe aan de uit het procesdossier blijkende gegevens over het verbruik van gas en electriciteit in diezelfde periode, die eveneens een bijzonder laag verbruik te zien geven. De enkele stelling ”dat appellant nu eenmaal bewust spaarzaam met water en energie omspringt ” kan hier niet aan afdoen. Dat het geregistreerde verbruik niet overeenkomt met het werkelijke verbruik acht de Raad overigens niet aannemelijk nu de betreffende gegevens niet substantieel afwijken van de water- en energiegegevens over de voorafgaande jaren. De conclusie dat appellant ten tijde in geding niet in de woning woonachtig was vindt bovendien steun in de bevindingen tijdens het bezoek aan de woning op 3 maart 2005, waarbij in het geheel geen levensmiddelen in de woning zijn aangetroffen, alsmede in de verklaringen van enkele buurtbewoners.

De aangevoerde grief dat de sociale recherche door zijn onderzoek een onaanvaardbare inbreuk heeft gemaakt op de privacy van appellant kan de Raad niet volgen. Allereerst is het College ingevolge artikel 53a, tweede lid, van de WWB bevoegd met het oog op de rechtmatige verlening en voortzetting van de bijstand een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de door appellant verstrekte gegevens omtrent zijn woon- en leefsituatie. Voorts zijn de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren ingevolge artikel 64, eerste lid, aanhef en onder m, van de WWB desgevraagd verplicht inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet. Op grond van de ingewonnen inlichtingen omtrent het energie- en waterverbruik bestond er ook naar het oordeel van de Raad een redelijke grond - aansluitend - de situatie ter plekke in ogenschouw te nemen. Daargelaten dat appellant voorts toestemming heeft verleend om de woning te betreden en deze (verder) te bezichtigen, is de Raad niet gebleken van omstandigheden van zodanig zwaarwegende aard dat het verificatiebelang van het College - terzake van de rechtmatigheid van de verleende bijstand - daarvoor diende te wijken.

Uit het vorenstaande volgt dat appellant ten tijde in geding geen juiste mededeling aan het College heeft gedaan over zijn woonadres, zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. Het College heeft zich vervolgens terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld. De bijstand is dan ook terecht met ingang van 1 februari 2005 ingetrokken.

De omstandigheid dat de strafrechter appellant terzake van de ten laste gelegde feiten heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, teminder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.