Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3809

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
04-6868 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6868 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (Turkije), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2004, 03-575 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft het Uwv bij brief van 12 december 2005 nog nadere gegevens in het geding gebracht.

Bij brief van 14 december 2005 heeft mr. Molenaar een stuk in het geding gebracht. Vervolgens heeft hij bij brief van

29 januari 2007 enkele vragen van de Raad beantwoord.

Het Uwv heeft bij schrijven van 30 januari 2007 antwoord gegeven op enige vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid.

Appellant is werkzaam geweest als grondwerker. In juli 1987 heeft hij deze werkzaamheden wegens lichamelijke klachten gestaakt. Het Uwv heeft vervolgens met ingang van 9 juli 1988 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 1989 is appellant met toestemming van het Uwv teruggekeerd naar Turkije, alwaar hij sindsdien woont.

Bij besluit van 20 mei 2002 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de WAO met ingang van

24 november 2002 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% zou bedragen. Aan dit besluit liggen medische rapportages van enkele artsen in Turkije ten grondslag, waarbij tevens de functionele mogelijkheden en beperkingen van appellant zijn aangegeven. Op basis van de bevindingen van deze artsen heeft de verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk vastgesteld dat er bij appellant sprake is van beperkingen in verband met rug- en nekklachten en prostaathypertrofie. Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die beperkingen sprake is van geschiktheid voor een vijftal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 8,4%.

Naar aanleiding van het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv een nader onderzoek laten verrichten door een bezwaarverzekeringsarts die, na kennisneming van de door appellant overgelegde medische informatie uit Turkije, tot de slotsom is gekomen dat er geen aanleiding is het oordeel van de verzekeringsarts niet te volgen. Onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 30 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met de voor appellant geldende klachten.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen in verband met rugklachten, nekpijn, prostaatklachten, een lichte paralysie aan rechterbeen en -arm, een slechte visus en een liesbreuk, waaraan hij in maart 2003 is geopereerd.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv bij brief van 30 januari 2007 medegedeeld dat twee van de vijf aan appellant voorgehouden functies niet worden gehandhaafd, omdat appellant niet kan voldoen aan de eisen die in deze functies worden gesteld ten aanzien van de beheersing van de Nederlandse taal.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is met name in geschil of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 24 november 2002 terecht heeft vastgesteld op minder dan 15%. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of het Uwv in voldoende mate rekening heeft gehouden met de toen voor appellant geldende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.

De Raad is, gelet op de thans bekende medische en andere gegevens omtrent appellant, met de rechtbank van oordeel dat het Uwv bij de beoordeling van de klachten van appellant in de Functionele Mogelijkheden Lijst in voldoende mate rekening heeft gehouden met de voor appellant geldende beperkingen. Daarbij acht de Raad van belang dat de verzekeringsarts op zorgvuldige wijze rekening heeft gehouden met de bevindingen van de Turkse artsen die appellant in juni 2001 hebben onderzocht. De door de Turkse arts N. Kucukosmanoglu toen aangegeven functionele mogelijkheden en beperkingen voor appellant zijn grotendeels overgenomen door de verzekeringsarts. Voorts merkt de Raad op dat met betrekking tot de liesbreuk, waaraan appellant in maart 2003 is geopereerd, niet is gebleken dat deze ook al in november 2002 bestond en toen al aanleiding gaf tot beperkingen. Door of namens appellant zijn in hoger beroep verder geen gegevens overgelegd, ook niet omtrent de gestelde visusklachten, waaruit meer of verdergaande beperkingen kunnen blijken.

Naar aanleiding van de desbetreffende grieven van appellant merkt de Raad op dat appellant, rekening houdend met de vastgestelde beperkingen, in staat moet worden geacht tot het vervullen van de resterende drie functies van lederbewerker, samensteller kunststof en inpakker. Daarbij wijst de Raad erop dat de belasting in deze drie functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

Nu voorts, in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet is gebleken van andere feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J. Janssen.