Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3684

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
05-2768 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2768 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 april 2005, 2004/1805 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 13 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. J.K.M. Hensels, advocaat te Vaals.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2007. Appellante is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. D.E.C. Veugen.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 6 september 2004, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – heeft geweigerd de intrekking van appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ongedaan te maken. Voor een overzicht van de aan het besluit van 6 september 2004 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder overweging – kort samengevat – dat niet is gebleken dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de beperkingen van appellante gelet op de beschikbare medische informatie juist zijn vastgesteld. Verder heeft de rechtbank overwogen dat geen informatie voorhanden is op grond waarvan ten aanzien van de psychische belastbaarheid van appellante meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen, terwijl de verwijzing naar een psycholoog eerst na de datum in geding is geschied. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen geen reden te zien voor nader medisch onderzoek en geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen.

In hoger beroep heeft appellante evenals in beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek met name ten aanzien van haar psychische klachten onzorgvuldig is geweest en onvoldoende tot beperkingen heeft geleid. Verder heeft appellante gesteld dat de klachten waarvoor zij na de datum in geding naar een psycholoog is verwezen, reeds eerder bestonden.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen reden is om aan te nemen dat de verzekeringsartsen de medische beperkingen van appellante onzorgvuldig dan wel onjuist hebben vastgesteld. De Raad betrekt het volgende in zijn oordeel.

Primair verzekeringsarts K. Lemmers heeft blijkens zijn rapport van 15 oktober 2003 na anamnese, eigen onderzoek van appellante en kennisneming van informatie van de behandelend sector vastgesteld dat appellante op een aantal punten beperkt belastbaar is vanwege in ernst wisselende rugklachten. Hoewel verzekeringsarts Lemmers verder heeft vastgesteld dat er in psychisch opzicht geen beperkingen zijn, heeft hij bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellante desalniettemin rekening gehouden met appellantes psychische klachten. Bezwaarverzekeringsarts K.L. Tetelepta-Tan heeft – na kennisneming van aanvullende informatie van de behandelend sector – in haar rapport van 11 augustus 2004 de bevindingen van de primaire verzekeringsarts onderschreven.

De Raad stelt vast dat appellante geen medische stukken ter onderbouwing van haar stelling dat haar psychische klachten zijn onderschat, heeft overgelegd. Daarbij merkt de Raad op dat de verwijzing – na de datum in geding – van appellante naar een psycholoog als zodanig geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de belastbaarheid zoals die door de verzekeringsartsen is vastgesteld.

Gelet hierop ziet de Raad geen reden om appellante te volgen in haar stelling dat zij met het oog op de haar voorgehouden functies nader psychisch onderzocht had behoren te worden.

Het is de Raad, uitgaande van de op 16 oktober 2003 vastgestelde ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’, niet gebleken dat appellante op de datum in geding, 2 februari 2004, niet in staat kon worden geacht tot het vervullen van de haar voorgehouden functies, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.