Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
05-2894 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Bij nader besluit WAO-uitkering naar hoogste klasse. Procesbelang?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2894 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 april 2005, 04/1058 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 13 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was – zoals tevoren bericht – niet vertegenwoordigd.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 21 april 2004, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, heeft herzien en met ingang van 28 januari 2004 heeft berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Voor een overzicht van de aan het besluit van

21 april 2004 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard op de in de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen.

In hoger beroep heeft appellant – kort samengevat – aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt vast dat het Uwv bij brief van 9 februari 2007 heeft aangegeven het besluit van 21 april 2004 niet langer te handhaven. Bij besluit van 9 februari 2007 heeft het Uwv de bezwaren van appellant alsnog gegrond verklaard, in die zin dat hij op en na 28 januari 2004, de datum in geding, ongewijzigd 80-100% arbeidsongeschikt wordt geacht. In reactie op dit besluit heeft appellant bij brief van zijn gemachtigde van 13 februari 2007 aangegeven geen belang meer te hebben bij een inhoudelijke behandeling van zijn zaak.

Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het belang aan het hoger beroep is komen te ontvallen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, een bedrag van € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en een bedrag van € 560,- aan gemaakte kosten voor de in beroep en hoger beroep uitgebrachte rapporten van orthopeed C.N. van Dijk.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1526,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.