Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
05-2769 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering naar hoogste klasse. Vijfjaarsherbeoordeling. Procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2769 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 april 2005, 04/1558 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 13 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2007. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. C. Roele.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 1 juli 2004, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, met ingang van 1 maart 2000 ongewijzigd heeft voortgezet. Voor een overzicht van de aan het besluit van 1 juli 2004 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege – kort samengevat – het ontbreken van een concreet procesbelang. De rechtbank heeft daartoe allereerst overwogen dat appellant is ingedeeld in de hoogste klasse van arbeidsongeschiktheid, zodat vernietiging van het bestreden besluit niet tot indeling in een hogere klasse kan leiden. De rechtbank heeft verder overwogen dat het procesbelang ook niet meer gelegen kan zijn in het ongewijzigd vaststellen van de WAO-uitkering van appellant per latere datum – waardoor de vijfjaarlijkse herbeoordeling ook later zou plaatsvinden –, nu op grond van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten voor appellant de vijfjaarlijkse wettelijke herbeoordeling is komen te vervallen.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn procesbelang gelegen was in voortzetting van zijn WAO-uitkering per latere datum en dat een bestaand procesbelang niet door gewijzigde wetgeving mag komen te vervallen. Verder heeft hij aangegeven van de Raad een uitspraak te willen over de juistheid van de wettelijke grondslag van het besluit van 1 juli 2004. Ten slotte heeft appellant verzocht om vergoeding van zijn onkosten.

De Raad overweegt als volgt.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat slechts sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben (zie onder meer de uitspraak van 8 augustus 2006, LJN AY6077).

Appellant wilde blijkens de stukken met het instellen van beroep bereiken dat zijn WAO-uitkering per latere datum zou worden voortgezet, zodat de vijfjaarlijkse wettelijke herbeoordeling ook pas op een later moment zou plaatsvinden.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het door appellant beoogde resultaat geen feitelijke betekenis meer heeft, omdat reeds met de inwerkingtreding van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten de vijfjaarlijkse wettelijke herbeoordeling voor appellant is komen te vervallen. Dat appellant graag een principieel antwoord wil op de door hem geformuleerde materiële vraag, is naar het oordeel van de Raad niet als voldoende procesbelang aan te merken.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.

(get) J. Janssen.

(get) A.C.W. Ris-van Huussen.