Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
24-04-2007
Zaaknummer
06/1819 WWB e.a.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Extreem lage water- en elektriciteitsverbruik. Niet daadwerkelijk woonachtig op opgegeven adres. Recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1819 WWB

06/1820 WWB

06/1911 WWB

06/1912 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene] (hierna: betrokkene) en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: College),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 februari 2006, 05/479 en 05/5046 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

betrokkene

en

het College

Datum uitspraak: 27 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. M.C. Schmidt, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend. Ook het College heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft

mr. Schmidt een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2007. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Schmidt. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Poldermans, werkzaam bij de gemeente Rijswijk.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene ontving sedert 28 april 2003 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Betrokkene heeft bij de aanvraag om bijstand opgegeven dat zij bij [naam zus], haar zus, in een tweekamer-woning aan de [adres] woont, waarvoor zij maandelijks € 250,00 huur betaalt. Met ingang van 26 september 2003 is [naam zus 2], een andere zus van betrokkene, eveneens op dit adres woonachtig.

In verband met twijfels van het College over de feitelijke woonsituatie van betrokkene heeft de Sociale Recherche Leidschendam-Voorburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn buurtbewoners gehoord, is energie- en waterbedrijven om informatie verzocht en is op 1 juli 2004 een huisbezoek gebracht aan het door betrokkene opgegeven woonadres. Voorts is betrokkene gehoord op 27 augustus 2004. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 augustus 2004.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 14 september 2004 de bijstand van betrokkene ingaande 28 april 2003 in te trekken. Voorts heeft het College bij besluit van 17 september 2004 de over de periode van 28 april 2003 tot en met 30 juni 2004 gemaakte kosten van bijstand van betrokkene teruggevorderd tot een bedrag van € 7.297,55. De besluitvorming berust op de overweging dat betrokkene niet woonachtig is geweest op het door haar opgegeven woonadres zodat het recht op bijstand over de betreffende periode niet is vast te stellen.

Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het College het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 14 en 17 september 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, voor zover van belang, bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 19 januari 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat voor intrekking van bijstand voorafgaand aan 1 juli 2004 onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig is.

Partijen hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Het hoger beroep van het College richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 28 april 2003 tot en met 30 juni 2004 onvoldoende feitelijke grondslag bestaat. Het hoger beroep van betrokkene richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat het College terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene op en na 1 juli 2004 feitelijk niet woonde op het door haar opgegeven adres.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat het College de intrekking van bijstand ingaande 28 april 2003 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 28 april 2003 tot en met 14 september 2004.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven voor de beoordeling van (de voortzetting van) het recht op bijstand een essentieel gegeven vormt. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, belanghebbende recht op bijstand heeft.

Het hoger beroep van het College

Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat op grond van de onderzoeksbevindingen genoegzaam vaststaat dat betrokkene in de periode van 28 april 2003 tot en met 30 juni 2004 niet daadwerkelijk woonachtig was op het adres [adres] en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of zij in die periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

De Raad kent daarbij met name betekenis toe aan het uit het onderzoek gebleken water- en elekriciteitsverbruik op het woonadres van betrokkene. Allereerst is uit deze gegevens af te leiden dat er in de woning over de periode van februari 2003 tot 17 april 2004 een waterverbruik is geweest van 3m³. Betrokkene stelt daar tegenover dat uit de opname van de meterstand op 24 september 2004 is gebleken dat over de periode van 19 april 2003 tot 24 september 2004 66m³ water is verbruikt. Op grond van voornoemde verbruikscijfers kan de Raad, uitgaande van een gemiddeld waterverbruik van ongeveer 50 m³ per jaar voor één persoon, tot geen andere conclusie komen dan dat het waterverbruik op het woonadres van betrokkene, waar twee, en vanaf 26 september 2003, drie personen zouden wonen, extreem laag is geweest. Voorts maakt de Raad uit de onderzoeks-bevindingen op dat het elektriciteitsgebruik in de woning over de periode van 4 februari 2003 tot en met 22 mei 2004 695 kwh. is geweest. Uitgaande van een gemiddeld elektriciteitsverbruik van 3.335 kwh. per jaar voor een tweepersoons-huishouden (en 3.880 kwh voor een driepersoonshuishouden) is ook het verbruik van elektriciteit in de woning van betrokkene en haar zus(sen) zeer laag geweest. De stelling van betrokkene, dat zij vanwege haar medische situatie veelvuldig bij haar ouders heeft verbleven, en haar zussen overdag werken, wat er van zij, verklaart naar het oordeel van de Raad niet het extreem lage water- en elektriciteitsverbruik. De bovengenoemde feiten en omstandigheden vinden steun in een drietal op 30 juni 2004 afgelegde verklaringen van buurtbewoners van de [adres].

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van het College slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 19 januari 2005 ongegrond verklaren. In het voorgaande ligt besloten dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 28 april 2003 tot en met 30 juni 2004. Naar het oordeel van de Raad heeft het College bij de afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten tot intrekking. Met het voorgaande is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om tot terugvordering van de over de hiervoor genoemde periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Uit het door het College gevoerde beleid zoals neergelegd in het Werkboek WWB blijkt dat het College in gevallen van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting steeds tot terugvordering van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand overgaat en van invordering om administratieve redenen slechts afziet indien dit bedrag lager is dan € 113,--. Voorts kan in individuele gevallen van terugvordering worden afgezien in geval van dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In het voorliggende geval wordt vastgesteld dat het College heeft gehandeld overeenkomstig het beleid en dat in hetgeen is aangevoerd geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen om, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid af te wijken.

Het hoger beroep van betrokkene

In navolging van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van de sociale recherche voldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat betrokkene in de - hier aan de orde zijnde - periode van 1 juli 2004 tot en met 14 september 2004 niet woonde aan het door haar opgegeven adres.

De Raad neemt hierbij allereerst in aanmerking dat uit het in het rapport opgenomen verslag van het huisbezoek van 1 juli 2004 blijkt dat de woning zeer sober was ingericht, er slechts één stapelbed stond en er, behoudens twee potten boterhambeleg, houdbare melk en een pak vruchtensap, geen levensmiddelen in de woning aanwezig waren. Voor de Raad is niet komen vast te staan dat sprake was van een derde slaapplaats in de vorm van een langwerpige poef, zoals betrokkene stelt. Met betrekking tot het ontbreken van de nodige levensmiddelen stelt de Raad vast dat betrokkene tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd zodat daaraan geen betekenis kan worden toegekend. Bij zijn oordeel betrekt de Raad tevens dat tijdens het huisbezoek nauwelijks kledingstukken of persoonlijke bezittingen van betrokkene zijn aangetroffen. Voorts wijst de Raad op hetgeen hiervoor over het verbruik van water- en elektriciteit is overwogen. Tot slot is de Raad niet gebleken van een zodanige wijziging in de woonsituatie van betrokkene na het huisbezoek op 1 juli 2004 dat op grond daarvan zou moeten worden aangenomen dat betrokkene in de periode van 1 juli 2004 tot en met 14 september 2004 wel heeft gewoond aan de [adres].

Met betrekking tot de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering en de beoordeling van de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, verwijst de Raad naar de hiervoor gegeven overwegingen ter zake.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor wat betreft dit onderdeel in stand kan blijven.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover door het College aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L. H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) D. Olthof.