Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
24-04-2007
Zaaknummer
06-1525 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos. Ontbinding arbeidsovereenkomst. Ongeoorloofde afwezigheid.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1525 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 februari 2006, 05/2660 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 februari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn -met voorafgaand bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant was sinds 28 januari 1991 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) [naam werkgever] (hierna: de werkgever), laatstelijk in de functie van plaatbankwerker allround. Omdat appellant in de periode van

3 januari 2005 tot en met 7 januari 2005 ongeoorloofd op zijn werk afwezig was, heeft de werkgever bij de kantonrechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Bij beschikking van 14 maart 2005 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van deze datum ontbonden op grond van dringende redenen.

2.2. Op 29 maart 2005 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 11 april 2005 heeft het Uwv de uitkering aan appellant met ingang van 14 maart 2005 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd. Daartoe is overwogen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. Na tegen het besluit van 11 april 2005 gemaakt bezwaar heeft het Uwv de maatregel bij besluit van 12 augustus 2005 gehandhaafd. Daarbij is op basis van de gedingstukken in de ontbindingsprocedure, in navolging van de kantonrechter, vastgesteld dat appellant ongeoorloofd afwezig was op zijn werk omdat hij de voorschriften met betrekking tot het aanvragen van verlof niet heeft nageleefd en is overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat dit gedrag voor de werkgever reden zou zijn tot beëindiging van de dienstbetrekking over te gaan.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de ongeoorloofdheid van appellants afwezigheid in de periode van 3 januari 2005 tot en met 7 januari 2005 genoegzaam is komen vast te staan, nu hij er noch in de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter noch in de procedure bij de rechtbank in geslaagd is aannemelijk te maken dat hij in deze periode geoorloofd afwezig was. In navolging van de kantonrechter was de rechtbank van oordeel dat appellant alle twijfel hieromtrent had kunnen wegnemen indien hij zich had gehouden aan de geldende instructie om de weekverantwoording, waarop de toekenning van zijn verlof vermeld zou staan, deugdelijk in te leveren. In appellants ongeoorloofde afwezigheid heeft de werkgever aanleiding gezien de arbeidsovereenkomst te doen beëindigen door middel van een ontbindingsprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank was, gezien de ernst van appellants verzuim, zijn ontslag reeds hierom redelijkerwijs te voorzien en is appellant verwijtbaar werkloos geworden, zodat het Uwv de WW-uitkering bij wijze van maatregel terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat het Uwv een onderzoek had moeten doen naar alle feiten en omstandigheden en op basis van de dan verzamelde feiten en omstandigheden een beslissing had moeten nemen over het recht op een WW-uitkering en in het bijzonder de verwijtbaarheid aan de kant van appellant. Het standpunt van het Uwv is volgens appellant ten onrechte uitsluitend gebaseerd op de stukken uit de ontbindingsprocedure.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en of het Uwv in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

5.2. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend en hij stelt zich daarbij achter de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

5.3. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 24 mei 2006, LJN AX8866, kan het Uwv slechts dan bij de toetsing van het al dan niet verwijtbare karakter van de werkloosheid de door de kantonrechter vastgestelde feiten overnemen en een eigen onderzoek achterwege laten, als alle in het kader van die toetsing benodigde feiten uit de in de procedure bij de kantonrechter gewisselde stukken genoegzaam blijken. Dit veronderstelt dat het Uwv de beschikking heeft gehad over alle bij de kantonrechter gewisselde stukken waaruit die feiten naar voren komen. Uit de voorhanden gedingstukken blijkt dat het Uwv in het kader van de besluitvormings-procedure beschikte over het verzoekschrift met de bijbehorende producties en het verweerschrift in de ontbindingsprocedure. Op basis hiervan heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad genoegzaam tot vaststelling van de feiten met betrekking tot de ongeoorloofde afwezigheid van appellant op zijn werk kunnen overgaan, nu daaruit onder meer blijkt dat door vier werknemers (waaronder twee leidinggevenden) schriftelijk is verklaard dat appellant geen vrije dagen heeft opgenomen en geen weekverantwoording heeft ingeleverd. Eén van de desbetreffende leidinggevenden heeft bij de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek ten overstaan van de kantonrechter zijn schriftelijk afgelegde verklaring bevestigd. Niet gebleken is dat het onderzoek door het Uwv niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden of dat niet zou mogen worden uitgegaan van de stukken uit de ontbindingsprocedure. Nu van de zijde van appellant de genoemde verklaringen niet zijn weersproken en ter zake ook geen gegevens of bewijsmiddelen zijn overgelegd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is de Raad van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Mitsdien is de WW-uitkering bij wijze van maatregel terecht blijvend geheel geweigerd.

5.4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) E. Heemsbergen.