Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
23-04-2007
Zaaknummer
04-1643 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Tien-dagen termijn voor inbrengen stukken. CBBS. In beroep afdoende toelichting gegeven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/176

Uitspraak

04/1643 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 februari 2004, 03/723 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene]l (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 13 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Appellant was vertegenwoordigd door drs. P.M. Klootwijk. Betrokkene was in persoon aanwezig en werd bijgestaan door mr. L.F.J de Graaff, advocaat te Breda.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft zich vanuit de WW per 3 december 1999 ziek gemeld in verband met de gevolgen van een verkeersongeval; hij is in zijn auto van achteren aangereden en heeft daaraan nekklachten (whiplash) overgehouden. Per 1 december 2000 is aan betrokkene na medisch en arbeidskundig onderzoek een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend.

Bij besluit op bezwaar van 12 februari 2003 heeft appellant gehandhaafd zijn primaire besluit van 7 juni 2002 tot herziening van de WAO-uitkering per 7 augustus 2002 naar een mate van 15-25%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 12 februari 2003 (bestreden besluit) wegens schending van het motiveringsbeginsel, zoals dat is neergelegd in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak, gelast dat het griffierecht ad € 31,-- aan betrokkene wordt vergoed en appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,--.

Wat de medische kant van de zaak betreft heeft de rechtbank overwogen dat zij er niet van overtuigd is dat ten tijde in geding een beperking voor de statische nekbelasting niet van toepassing was en dat appellant dit nader dient te onderzoeken.

Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft de rechtbank overwogen dat zij, gelet op de bevindingen van de huisarts en de geconstateerde twijfel aan de statische nekbelasting, niet voldoende overtuigd is geraakt van de passendheid van de eerste van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten die van vertegenwoordiger. De huisarts heeft in diens verklaring van 18 januari 2004 aangegeven dat autorijden, gezien de concentratie die dit vereist en de nekbewegingsbeperkingen die er nog zijn, niet wenselijk is binnen de intensiteit van een dergelijk beroep. Uit de functieomschrijving van vertegenwoordiger blijkt dat 85% van de functie bestaat uit het bezoeken van klanten, waarbij 8-14 klanten per dag worden bezocht. Daaruit volgt dat betrokkene veel in de auto moet zitten, aldus tot slot de rechtbank.

In hoger beroep heeft appellant het volgende aangevoerd.

Bij fax van 20 januari 2004 - 2 dagen voor de zitting van 22 januari 2004 en dus binnen de termijn van 10 dagen voor de zitting waarbinnen ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Awb partijen nog nadere stukken kunnen indienen - heeft betrokkene bij de rechtbank een verklaring van zijn fysiotherapeut van 17 januari 2004 en een verklaring van zijn huisarts van 18 januari 2004 ingediend. Appellant heeft die verklaringen aan de hand van de gelijktijdig ontvangen kopieën daarvan vervolgens voorgelegd aan zijn bezwaarverzekeringsarts die nog diezelfde dag een rapport heeft opgesteld en over de inhoud daarvan overleg heeft gepleegd met de zittingsgemachtigde. Ter zitting van 22 januari 2004 heeft die zittingsgemachtigde desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen het in de beoordeling betrekken van de door betrokkene op 20 januari 2004 ingediende stukken. Vervolgens heeft de rechtbank evenwel aan de zittingsgemachtigde geweigerd toe te staan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts ter zitting over te leggen of de inhoud daarvan integraal voor te lezen, zelfs zonder aan betrokkene te vragen of hij daartegen bezwaar had. Door die verklaringen van betrokkenes fysiotherapeut en huisarts te betrekken in het dragende gedeelte van de motivering van haar uitspraak, heeft de rechtbank gehandeld in strijd met de regels van een goede procesorde. Voorts acht appellant zich door die handelwijze van de rechtbank geschaad in zijn mogelijkheden om zich, op basis van de door hem prompt na kennisname van de door betrokkene ingebrachte stukken verzamelde gegevens, adequaat te verweren.

Wat de medische kant van de zaak betreft heeft appellant - onder verwijzing naar het door hem in hoger beroep alsnog ingebrachte rapport van de bezwaarverzekeringsarts - aangevoerd dat zijnerzijds bij de bepaling van betrokkenes belastbaarheid de ten aanzien van het gebruik van de nek bij betrokkene bestaande beperkingen niet te licht zijn vastgesteld. In aanvulling op dat rapport heeft appellant nog gesteld dat aan de verklaring van de huisarts slechts beperkte betekenis toekomt. Immers, de huisarts heeft in zijn verklaring ten aanzien van zijn antwoorden het voorbehoud gemaakt dat deze voorzover mogelijk zijn gegeven, daar hij wat een aantal vragen betreft te weinig expertise heeft en te weinig op de hoogte is van betrokkenes dagelijkse activiteiten en (on-)mogelijkheden.

Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft appellant, op basis van met zijn bezwaararbeidsdeskundige gevoerd overleg, benadrukt dat het in de functie van vertegenwoordiger steeds om relatief korte ritten gaat en dat er geen sprake is van aaneengesloten langdurige concentratie en eindstandige nekbewegingen zonder dat bij gelegenheid van een stop deze belasting niet veelvuldig kan worden onderbroken. Voorts is met name bij deelname aan het verkeer buiten stedelijk gebied sprake van een aanmerkelijk lagere belasting ten aanzien van het gebruik van de nek en de concentratie. Tevens is de mate van eindstandige nekbewegingen in zekere mate door de werknemer beïnvloedbaar, aldus tot slot appellant.

Vervolgens heeft betrokkene onder verwijzing naar het proces-verbaal van de rechtbankzitting naar voren gebracht dat niet is gebleken dat appellants zittingsgemachtigde uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat aan het geen bezwaar hebben tegen het in de beoordeling betrekken van de beide op 20 januari 2004 ingebrachte verklaringen is verbonden als voorwaarde het ter zitting mogen overleggen van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, dat overigens reeds per fax op 20 januari 2004 bij de rechtbank had kunnen worden ingebracht. Betrokkene is dan ook van mening dat de rechtbank niet heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde.

De Raad overweegt als volgt.

Ter zitting van de Raad heeft betrokkene desgevraagd bevestigd dat appellant ter zitting van de rechtbank heeft gevraagd het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van

20 januari 2004 te mogen overleggen en dat de rechtbank dat verzoek, zonder aan betrokkene te vragen of daartegen bij betrokkene bezwaar bestaat, heeft afgewezen. De Raad stelt vast dat in het proces-verbaal van de rechtbankzitting daarvan geen melding is gemaakt. Appellant heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard dat zijn zittingsgemachtigde dat rapport eerst tegen het einde van de werkdag op 20 januari 2004 heeft ontvangen, toen dat rapport niet meer heeft kunnen faxen aan de rechtbank en betrokkene, de dag daarop vrij had, het correct noch zinvol heeft geacht dat rapport op

22 januari 2004, de dag van de rechtbankzitting, aan de rechtbank alsook betrokkene te faxen en vervolgens heeft besloten dat rapport ter rechtbankzitting in te brengen.

De Raad vermag onder de hiervoor gegeven omstandigheden niet in te zien dat de goede procesorde in eerste aanleg eraan in de weg stond toe te staan dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts als reactie op de door betrokkene binnen de termijn van 10 dagen (slechts 2 dagen) voor die zitting ingebrachte verklaringen van de huisarts en de fysiotherapeut door appellant nog ter zitting werd ingebracht. Indien betrokkene ter zitting had gesteld zich door de inbreng op dat late tijdstip in zijn belangen geschaad te voelen en het inlassen van een leespauze niet genoeg zou zijn geweest om aan dat bezwaar tegemoet te komen, had de rechtbank met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting kunnen schorsen, al dan niet onder bepaling dat het vooronderzoek wordt hervat, dan wel na sluiting van het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek kunnen heropenen.

Maar wat van dat alles ook zij, het rapport is door appellant bij de Raad tijdig ingebracht en de Raad ziet in het gebeurde bij de rechtbank geen aanleiding de inhoud van dat rapport niet in zijn beoordeling te betrekken.

Wat de medische kant van de zaak betreft is de Raad van oordeel dat

de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 20 januari 2004 genoegzaam heeft weerlegd wat de fysiotherapeut en de huisarts in hun verklaringen van 17 respectievelijk 18 januari 2004 hebben aangegeven en afdoende heeft gemotiveerd dat wat de statische nekbelasting betreft de van 29 mei 2002 daterende Functionele MogelijkhedenLijst (FML) geen verkeerd beeld van betrokkenes belastbaarheid geeft. Er zijn - zoals doorgaans bij een whiplash - geen duidelijke objectiveerbare afwijkingen gevonden. De fysiotherapeut is geen medicus, is voornamelijk uitgegaan van de door betrokkene geuite subjectieve klachten en kan/mag geen uitspraak doen over de psychische belastbaarheid. De huisarts heeft geen objectieve basis voor zijn bevindingen op fysiek en psychisch gebied gegeven en is eveneens te zeer betrokkene gevolgd in diens subjectieve klachten, ook wat de door betrokkene gestelde duizeligheid en concentratieproblemen betreft. In hetgeen betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad wat de medische kant van de zaak betreft onvoldoende aanleiding om de rechtbank in haar oordeel te volgen. Nader medisch onderzoek ter beantwoording van de vraag of de statische nekbelasting had dienen te worden beperkt, kan dan ook achterwege blijven.

Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft is aan de orde de vraag of de functie van vertegenwoordiger (sbc-code 516160 met 2 functies van rayonmanager in de farmaceutische industrie met 7 respectievelijk 1 arbeidsplaats(en)) de toets der kritiek kan doorstaan.

Bij de beoordeling van deze functie(s) dient te worden uitgegaan van de op 29 mei 2002 aangescherpte FML, welke aanscherping tot gevolg heeft gehad dat de arbeidsdeskundige op 5 juni 2002 twee van de op 8 april 2002 op basis van een op 15 maart 2002 opgestelde FML uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerde functies heeft laten vallen en aan de schatting één nieuwe, eerder reeds geselecteerde functie ten grondslag heeft gelegd.

Gezien de op de functie van vertegenwoordiger toegespitste, door de arbeidskundige in haar rapport van 18 december 2003 en de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van

20 januari 2004 gegeven toelichting is de Raad van oordeel dat appellant afdoende heeft gemotiveerd dat betrokkene met zijn bij de aangescherpte FML vastgestelde medische beperkingen in staat moet worden geacht die functie volledig te vervullen. Het vooral door de bevindingen van zijn huisarts en fysiotherapeut ingegeven, in zijn verweerschrift van 29 juni 2004 neergelegde standpunt van betrokkene doet aan die motivering geen afbreuk.

Gelijk hiervoor is aangegeven kan de Raad zich niet vinden in de argumenten die de rechtbank ertoe hebben gebracht het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Om die reden zal de Raad dan ook overgaan tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Vervolgens komt aan de orde de vraag of het bestreden besluit in stand kan worden gelaten.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, zulks met name gelet op zijn CBBS-1-uitspraken van 9 november 2004 (LJN: AR4716 t/m 4719) en zijn CBBS-2-uitspraken van 12 oktober 2006 (o.m. LJN: AY9971, inhoudende - kort gezegd - dat met de aangebrachte aanpassingen van de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals deze zijn beschreven in de CBBS-1-uitspraken, in voldoende mate zijn opgeheven). Wat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit betreft heeft appellant eerst in beroep afdoende toelichting gegeven op de niet met de belastbaarheid van betrokkene matchende punten in de functiebelasting van de aan dat besluit ten grondslag gelegde functie van vertegenwoordiger en dusdoende afdoende gemotiveerd dat ook die functie de toets der kritiek kan doorstaan.

Dat laatste geeft de Raad voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het thans te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep. De kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en

€ 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 31,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en

I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.