Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
23-04-2007
Zaaknummer
05-1499 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. In toelichting verborgen beperkingen. Motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1499 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 januari 2005, 04/804 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 6 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en schriftelijk geantwoord op een vraag vanwege de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Wardenburg.

Ter zitting heeft het Uwv verzocht toe te staan dat bij die gelegenheid nadere stukken, waaronder een aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), worden overgelegd. Dit verzoek heeft de Raad afgewezen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft zich na een verkeersongeval met ingang van 17 maart 2003 met rug- en nekklachten ziek gemeld voor haar (parttime) werk als supermarktcassière. Na medisch onderzoek heeft de verzekeringsartsarts een FML opgesteld, waarin diverse arbeidsbeperkingen zijn opgenomen. Aan de hand van de FML heeft de arbeidsdeskundige onderzoek gedaan naar de resterende arbeidsmogelijkheden.

De arbeidsdeskundige is van oordeel dat de in de FML aangegeven medische beperkingen appellante verhinderen haar eigen arbeid te verrichten, maar niet in de weg staan aan het verrichten van arbeid in passende functies. Het loonverlies bedraagt minder dan 15%.

Het Uwv is deze bevindingen gevolgd en heeft geweigerd om betrokkene na afloop van de wettelijke wachttijd per 16 maart 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Bij het in beroep bestreden besluit van 28 mei 2004 heeft het Uwv de weigering tot toekenning van WAO-uitkering ondanks het bezwaar van appellante gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Ter zitting heeft het Uwv erkend dat de wijze waarop de verzekeringsarts de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende (k)FML heeft ingevuld niet juist is, omdat in de toelichtingen beperkingen schuil gaan. De verzekeringsarts heeft bij diverse belastbaarheidsaspecten aangegeven dat appellante normaal belastbaar is, terwijl uit de bij de betreffende aspecten gegeven toelichting naar voren komt dat er toch zekere beperkingen van toepassing worden geacht, in de vorm van het voldaan moeten zijn aan bepaalde aanvullende voorwaarden dan wel anderszins. Op grond van de huidige inzichten van het Uwv, welke ook hun beslag hebben gekregen in aangepaste werkinstructies, wordt deze werkwijze door de verzekeringsartsen niet langer toegepast.

In zijn uitspraken van 12 oktober 2006, LJN AY9971, heeft de Raad overwogen dat van de zijde van het Uwv is benadrukt - en de Raad heeft zich daarbij aangesloten - dat het van belang is dat de verzekeringsarts de (k)FML op juiste wijze invult en daarbij in het bijzonder erop toeziet dat een beperking ook daadwerkelijk als een beperking wordt opgenomen en niet wordt verstopt in een toelichting bij een overigens als normaalwaarde aangegeven score, daar anders het systeem die beperking bij de geautomatiseerde vergelijking niet als zodanig herkent. Een wijze van invulling van de (k)FML waarbij niet alle door de verzekeringsarts van toepassing geachte beperkingen ook daadwerkelijk als een beperking worden ingevuld, maar worden opgenomen in een toelichting kan immers met zich brengen dat die beperkingen bij de functieselectie door het systeem ten onrechte buiten beeld blijven. Dat kan en zal doorgaans tot gevolg hebben dat in het Resultaat Functiebeoordeling geen gegevens worden getoond met betrekking tot de belasting van een functie op het betreffende onderdeel of de betreffende onderdelen en dat aldus niet controleerbaar is of mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de verzekerde op het betreffende onderdeel.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 23 februari 2007, LJN AZ9153 heeft aangegeven bestaat dan het risico dat de motivering van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aan de hand van het eindresultaat functieselectie niet volstaat en dat een schattingsbesluit dat enkel op zodanige motivering is gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in rechte geen stand zal kunnen houden. Of in een voorliggend geval die conclusie dient te worden getrokken zal, naast andere zich concreet voordoende feiten en omstandigheden, afhangen van aantal en aard van de verborgen beperkingen, en het antwoord op de vraag of geen beperking dan wel een minder ernstige beperking is aangegeven.

Van belang is uiteindelijk steeds of voor de betrokken verzekerde, voor eventuele rechtshulpverleners maar ook voor de rechter, de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voldoende inzichtelijk en toetsbaar is. De Raad sluit niet op voorhand uit dat in voorkomende gevallen waarin gebruik is gemaakt van een (k)FML met in toelichtingen verborgen beperkingen, (toch) aan deze eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid kan zijn voldaan. Ter aanvullende motivering zal dan evenwel een afzonderlijk overzicht onontbeerlijk zijn van alle zich voordoende in toelichtingen opgenomen beperkingen, voorzien van een toereikende toelichting per belastingonderdeel waarom de betreffende functies toch als passend kunnen worden aangemerkt.

Wat betreft het onderhavige geval, is de Raad van oordeel dat, gelet op aantal en aard van de zich voordoende in toelichtingen verborgen beperkingen, als hiervoor weergegeven, en voorts constaterend dat een overzicht daarvan met toelichting in vorenbedoelde zin ontbreekt, het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, in verband waarmee dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb in rechte geen stand kan houden.

De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het inleidende beroep zal de Raad alsnog gegrond verklaren en het bestreden besluit zal hij vernietigen met de opdracht aan het Uwv een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante.

Appellante heeft verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade, bestaande in de wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering. In dit stadium kan niet worden vastgesteld of het nader te nemen besluit zal leiden tot nabetaling van uitkering, zodat het schadevergoedingsverzoek thans niet kan worden toegewezen. De Raad gaat er van uit dat in het nader te nemen besluit ook hierover zal worden beslist.

Het Uwv zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van appellante wegens de haar verleende rechtsbijstand begroot op € 322,- in beroep en € 322,- voor het hoger beroep, totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv, met inachtneming van deze uitspraak, nader zal besluiten op het bezwaar van appellante;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht tot een bedrag van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.

(get.) D.J. van der vos.

(get.) M. Gunter.

RB2903