Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3487

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
23-04-2007
Zaaknummer
06-885 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering wegens meerinkomsten en bezit OV-jaarkaart. Belastbare winst uit onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/885 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 december 2005, 05/573 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 13 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Doornbos, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007.

Appellant is - na bericht van verhindering - niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 18 januari 2005 heeft de IB-Groep ten laste van appellant een vordering wegens teveel eigen bijverdiensten in 2001 vastgesteld. Deze vordering behelst een bedrag aan meerinkomen van € 3.077,36 en een bedrag van € 460,08 wegens het bezit van een OV-studentenkaart gedurende de maanden januari tot en met augustus 2001.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 april 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen laatstvermeld besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Raad van 9 april 2004, gepubliceerd in onder meer RSV 2004/193. De rechtbank acht de berekening van het toetsingsinkomen door de IB-Groep niet onjuist.

Appellant is het niet met de uitspraak eens en voert in hoger beroep aan dat het in 2001 verworven inkomen grotendeels is verdiend na beëindiging van de studiefinanciering en eenvoudig kan worden toegerekend aan de periode waarin het is verworven. Omdat die toerekening in dit geval eenvoudig is, had wel toepassing van de hardheidsclausule moeten plaatsvinden. Appellant heeft voorts gesteld dat uitgangspunt voor de berekening moet zijn de belastbare winst (€ 2.477,-), vermeerderd met de ondernemersaftrek

(€ 7.858,-) en verminderd met de inkomsten uit eigen woning (€ 826,-).

Volgens appellant bedroeg dusdoende het toetsingsinkomen over de periode van januari t/m augustus 2001 € 6.333,- (in plaats van € 12.310,-), zodat er geen sprake van meerinkomen was.

De IB-Groep heeft in het verweerschrift aangegeven dat de belastbare winst uit onderneming in 2001 € 12.842,- bedroeg, hetgeen blijkt uit informatie van de belastingdienst.

De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

De stelling van appellant dat in zijn geval de winst eenvoudig kan worden toegerekend aan de periode waarin die is verworven, treft geen doel. De Raad verwijst naar zijn hiervoor genoemde uitspraak van 9 april 2004. Het belang van een eenvoudig uitvoerbare regeling verzet zich tegen de door appellant voorgestane werkwijze. Daarbij merkt de Raad op dat bijvoorbeeld de waarde van voorbereidende werkzaamheden niet eenvoudig is vast te stellen, terwijl eveneens onduidelijk is aan welke periode de inkomsten uit die voorbereidende werkzaamheden dienen te worden toegerekend.

De IB-Groep kon dan ook in redelijkheid afzien van toepassing van de hardheidsclausule.

Met betrekking tot de door appellant gemaakte berekening overweegt de Raad dat de IB-Groep terecht als uitgangspunt heeft genomen de belastbare winst uit onderneming, zoals die door de belastingdienst is vastgesteld. Uit de door de belastingdienst bij brief van 10 maart 2006 aan de IB-Groep verstrekte informatie blijkt dat de belastbare winst van appellant in 2001 € 12.842,- bedroeg. De daarop gebaseerde berekening van het meerinkomen door de IB-Groep is dus juist.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM