Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3445

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
06-2573 WWB + 07-1001 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2573 WWB

07/1001 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2006, 05/849 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 3 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Amrani, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend, een nader genomen besluit van

14 december 2006 aan de Raad gezonden en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Amrani. Door appellante is als tolk meegebracht haar dochter [dochter]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan appellante is tot 1 september 2004 algemene bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend.

Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante over inkomen en/of vermogen beschikte heeft het College, in verband met onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand, bij besluit van 10 september 2004 het recht op bijstand met ingang van 1 september 2004 opgeschort.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 12 oktober 2004 de bijstand vanaf 30 augustus 2002 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) ingetrokken. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante heeft verzwegen dat zij vanaf die datum beschikt(e) over een op haar naam gestelde bankrekening in Marokko met een waarde van (omgerekend)

€ 39.888,95 die de voor appellante ten tijde in geding geldende vermogensgrens van

€ 10.130,-- overschreed.

Bij besluit van 30 december 2004 heeft het College het bezwaar van 7 oktober 2004 tegen het besluit van 10 september 2004 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van

15 oktober 2004 tegen het besluit van 12 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

30 december 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking van de bijstand

Het College heeft bij het primaire besluit van 12 oktober 2004 de bijstand met ingang van 30 augustus 2002 ingetrokken en de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode.

Bij besluit van 30 december 2004 heeft het College deze intrekking per 30 augustus 2002 onverkort gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire (intrekkings) besluit. Voor het onderhavige geval betekent dit dat beoordeeld dient te worden de periode van 30 augustus 2002 tot en met 12 oktober 2004.

Voorop stelt de Raad dat de grief van appellante dat ten onrechte gebruik is gemaakt van informatie uit het strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen een andere persoon dan appellante geen doel treft. Nog daargelaten of in dit geval sprake is van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, is het gebruik van bewijsmiddelen volgens vaste rechtspraak slechts dan niet toegestaan, indien deze zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarvan is hier naar het oordeel van de Raad geen sprake.

Voorts stelt de Raad vast dat de betreffende spaartegoeden gedurende de gehele van belang zijnde periode op de bankrekening van appellante hebben gestaan en dat zij daarvan bij het College geen melding heeft gemaakt. Appellante betwist dit ook niet, maar stelt dat zij die tegoeden niet heeft gemeld omdat deze niet aan haar toebehoren maar eigendom zijn van haar zoon. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Op grond van de beschikbare gegevens is de Raad van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. Het College heeft dan ook op goede gronden aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante gedurende de gehele hier te beoordelen periode beschikte over een vermogen dat de voor haar geldende vermogensgrens overtrof, dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en vanaf 1 januari 2004 artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft nagelaten het College daarover onverwijld en uit eigen beweging te informeren en dat als gevolg daarvan aan haar ten onrechte bijstand is verleend.

De omstandigheid dat, zoals appellante nog heeft aangevoerd, de strafrechter valsheid in geschrifte ten aanzien van de door appellante in het kader van de verlening van de bijstand ingevulde rechtmatigheidsformulieren niet bewezen heeft geacht, doet naar vaste rechtspraak aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers bij de vaststelling van de feiten en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijke procedure door de rechter is geoordeeld. In een strafrechtelijke procedure ligt ook een andere rechtsvraag voor en is een ander procesrecht van toepassing.

Het vorenstaande betekent dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellante verleende bijstand over de periode vanaf 30 augustus 2002 in te trekken. Blijkens artikel 4.2.2 van de door het College aan de Raad gezonden Beleidsregels Wet werk en bijstand, zoals dat ten tijde hier van belang luidde, gaat het College in gevallen van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting steeds tot intrekking of herziening van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand over. Naar het oordeel van de Raad gaat deze beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van deze beleidsregels af te wijken.

De Raad merkt het besluit van 14 december 2006 aan als een besluit dat op de voet van de artike-len 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling moet

worden betrokken. Dit besluit is in de plaats getreden van het besluit van 30 december 2004 voor zover daarbij omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 10 september 2004 is beslist. Evenals (thans) het College ziet de Raad geen

beletselen voor de vaststelling dat dit bezwaar ontvankelijk is. Dit betekent dat op

grondslag daarvan een heroverweging van het primaire besluit van 10 september 2004 had moeten plaatsvinden.

De Raad ziet echter geen grond om het voorwerp van bezwaar tegen het besluit van

10 september 2004 alsnog aan te merken als een blokkering zoals door het College bij het besluit van 14 december 2006 is gedaan. Gelet op de inhoud van het besluit van

10 september 2004 kan de Raad dit besluit niet anders duiden dan als een besluit tot

opschorting van het recht op bijstand waaraan een gebrek kleeft, aangezien dit besluit geen herstel-termijn voor het verstrekken van nadere gegevens bevat. Dit betekent dat het College in strijd heeft gehandeld met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.

Slotoverwegingen

Het voorgaande heeft de Raad tot de conclusie geleid dat de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 30 december 2004 vernietigen voor zover daarbij het bezwaar van 7 oktober 2004 niet-ontvankelijk is verklaard.

Voorts zal de Raad het beroep voor zover dat gericht is tegen het besluit van 14 december 2006 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en, zelf voorziend, het primaire besluit van 10 september 2004 herroepen. Het in de plaats daarvan nemen van een nieuw besluit acht de Raad in dit geval niet nodig, gezien hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het besluit waarbij de intrekking is gehandhaafd.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 december 2004 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij het bezwaar van 7 oktober 2004 tegen het besluit van

10 september 2004 niet-ontvankelijk is verklaard;

Verklaart het beroep voor zover dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van

14 december 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het primaire besluit van 10 september 2004;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G.A.J. van den Hurk en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S. van Ommen.

RB0404