Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
05-876 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering vanwege loondoorbetalingsverplichting werkgever. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene tijdens ziekte recht had op loon als bedoeld in artikel 7:629 van het BW.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 29, geldigheid: 2007-04-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/179 met annotatie van Red
ABkort 2007/294

Uitspraak

05/876 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 december 2004, 02/556 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.W. Huijbers, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. van Ravenhorst, kantoorgenoot van mr. Huijbers en opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.S. van ‘t Oor.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 21 maart 2001 in dienst getreden van Atlas Commerce Uitzendorganisatie B.V. (hierna: werkgever). Artikel 3 van de tussen appellant en de werkgever gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst met als aanhef “A. Uitzendcontract” luidt:

" Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) uitzendbranche. De bepalingen uit de CAO maken onlosmakelijk deel uit van deze arbeidsovereenkomst en worden geacht, voorzover deze bepalingen niet nader worden uitgewerkt in deze arbeidsovereenkomst, woordelijk te zijn herhaald en ingelast. De CAO kan aan de uitzendkracht door de werkgever kostenloos ter hand worden gesteld."

In artikel 8 van de arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald: “A . In geval van ziekte gelden de wettelijke bepalingen.”

Appellant is op 9 november 2001 als gevolg van een bedrijfsongeval arbeidsongeschikt geworden en heeft zich op 10 november 2001 bij de werkgever ziek gemeld. De werkgever heeft de melding doorgegeven aan het Uwv en daarbij vermeld dat appellant op 12 november 2001 uit dienst is gegaan. Bij besluit van 7 januari 2002 heeft het Uwv appellant uitkering van ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) geweigerd, daarbij overwegend dat appellant op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht heeft op doorbetaling van het loon door de werkgever.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 januari 2002 bij besluit op bezwaar van 2 mei 2002 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en daartoe overwogen (waarbij appellant is aangeduid als eiser):

" De rechtbank deelt het standpunt van partijen dat uit de arbeidsovereenkomst niet blijkt welke CAO daarop van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat een - zoals in dit geval - verwijzing in de arbeidsovereenkomst naar de “CAO uitzendbranche” te onbepaald is. De rechtbank verbindt hieraan de conclusie dat de werkgever er (op deze wijze) niet in is geslaagd om in deze arbeidsovereenkomst af te wijken van welke CAO dan ook. Het beroep van eiser op artikel 9, zesde lid, ABU CAO dient derhalve te falen. Nu er in casu geen CAO van toepassing is, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat bij arbeidsongeschiktheid de reguliere wettelijke bepalingen op eiser van toepassing zijn, waaronder de artikelen 7:629 en 7:691 BW."

De Raad neemt, met de rechtbank, als vaststaand aan dat de werkgever niet was aangesloten bij de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) noch bij de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU) en dus niet was gebonden aan één van de CAO’s die de ABU respectievelijk de NBBU voor uitzendkrachten over de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 hebben afgesloten. Deze CAO’s waren ten tijde hier in geding niet algemeen verbindend verklaard.

Zoals de Raad in zijn uitspraken van 16 augustus 2006 (LJN: AY6577 en AY6619) heeft overwogen, kunnen CAO-bepalingen dan wel een integrale CAO alleen deel uitmaken van een individuele arbeidsovereenkomst door uitdrukkelijke vantoepassingverklaring van die CAO op die arbeidsovereenkomst. In de arbeidsovereenkomst tussen appellant en de werkgever is niet één van de beide in de uitzendbranche bestaande CAO’s uitdrukkelijk van toepassing verklaard. Evenmin is komen vast te staan dat partijen bij die arbeidsovereenkomst onmiskenbaar hebben beoogd een van beide CAO’s van toepassing te verklaren, reeds omdat over de wil en bedoeling van de werkgever bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst niets bekend is. Appellant heeft ook geen exemplaar van een CAO van de werkgever ontvangen. De stelling van appellant dat het materieel gezien niet veel uitmaakt welke CAO van toepassing is verklaard, nu de ABU-CAO en de NBBU-CAO slechts op ondergeschikte punten afwijken, kan de Raad niet volgen. Er is immers geen specifieke CAO uitdrukkelijk van toepassing verklaard. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de enkele verwijzing in de arbeidsovereenkomst naar de “CAO uitzendbranche” te onbepaald is om daaruit te kunnen concluderen op welke CAO wordt gedoeld. Nu niet is komen vast te staan dat een CAO op de arbeidsovereenkomst van appellant met de werkgever van toepassing was, was evenmin een in een CAO opgenomen uitzendbeding op hem van toepassing. Dat betekent dat geen sprake was van een uitzendovereenkomst waarvan het beding van artikel 7:691, tweede lid, van het BW onderdeel uitmaakte. De arbeidsovereenkomst is dan ook niet ingevolge enige CAO-bepaling door de ziekmelding van appellant geëindigd. Op appellant waren in geval van ziekte de wettelijke bepalingen van toepassing, zoals ook in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst is bepaald. Het Uwv heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant tijdens ziekte recht had op loon als bedoeld in artikel 7:629 van het BW. In die situatie staat artikel 29, eerste lid onder a, van de ZW aan toekenning van ziekengeld in de weg. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit dan ook terecht ongegrond verklaard.

Hetgeen appellant in hoger beroep verder nog naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.J. Janssen.

TM