Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
04-6898 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling. Intrekking WAO-uitkering. Toereikende motivering arbeidskundige grondslag in hoger beroep. CBBS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6898 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2004, 04/624 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Kiliç, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, vergezeld van een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige L.G.W. Lind van

23 februari 2005, ingediend.

Bij schrijven van 21 februari 2007 heeft mr. A.P.L. Pinkster zich als opvolgend gemachtigde van mr. Kiliç gesteld.

Namens appellant is medische informatie overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pinkster, voornoemd, en N. Khalil als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was werkzaam als pizzabakker gedurende 20 uur per week en is op 1 april 1997 voor deze werkzaamheden uitgevallen in verband met onder meer buik- en psychische klachten. Appellant leed aan hepatitis C. De verzekeringsarts

T. Njoo, die appellant onderzocht, concludeerde in zijn rapport van 27 februari 1998 dat appellant zijn mogelijkheden niet duurzaam kon benutten. In overeenstemming hiermee heeft de rechtsvoorganger van het Uwv bij besluit van 3 maart 1998 aan appellant met ingang van 22 februari 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een wettelijk voorgeschreven periodieke herbeoordeling werd appellant op 7 augustus 2003 gezien door de verzekeringsarts P.W. van Zalinge. Deze formuleerde in haar rapport van 12 augustus 2003 een aantal beperkingen van met name psychische aard en een urenbeperking, hetgeen uitwerking vond in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

14 augustus 2003. Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige M. Griffioen met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd. Griffioen berekende blijkens zijn rapport van 12 september 2003 het verlies aan verdienvermogen van appellant op 12%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 16 september 2003 de uitkering van appellant met ingang van 13 november 2003 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever de belastbaar-heid van appellant opnieuw in kaart gebracht. In haar rapportage van 2 februari 2004 concludeerde zij, na onder andere weging van de beschikbare gegevens van de behandelend sector, dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de primair oordelende verzekeringsarts het oordeel met betrekking tot de arbeidsbeperkingen van appellant onvoldoende heeft onderbouwd en dat er in de bezwaarschriftprocedure geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen die het primaire oordeel met betrekking tot appellants arbeidsbeperkingen doen wijzigen.

Daarop heeft het Uwv bij besluit van 19 februari 2004 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 19 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten aanzien van de klacht van appellant dat het Uwv, voorafgaande aan het nemen van het bestreden besluit, niet alle bij de behandelend sector opgevraagde inlichtingen heeft afgewacht, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar ’s Raads uitspraak van 12 mei 2000 (LJN: AL1125), geoordeeld dat de in deze jurisprudentie beschreven handelwijze, te weten dat ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een medisch oordeel inzake de beperkingen van een verzekerde op een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek dient te zijn gebaseerd, niet zo ver gaat dat het het Uwv in het geheel niet zou zijn toegestaan om een beslissing op het bezwaarschrift te nemen, indien van de behandelend sector na een redelijke termijn nog geen reactie is ontvangen. Het besluitvormingsproces kan volgens de rechtbank immers al zo ver gevorderd zijn dat niet meer kan worden gevergd die inlichtingen daarbij nog te betrekken.

In hoger beroep heeft appellant zijn grief inzake het zijns inziens onzorgvuldig handelen van het Uwv herhaald. Voorts keert hij zich tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant meent dat het Uwv de voor hem geldende beperkingen, voortvloeiende uit zijn ernstige psychische klachten, heeft onderschat.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

In de eerste plaats oordeelt de Raad met betrekking tot het door de gemachtigde van appellant ter zitting gedane verzoek tot gevoegde behandeling van het onderhavige geding met het bij de Raad aanhangige geding ingevolge de Ziektewet, met nummer 07/780, dat dit verzoek, reeds vanwege het feit dat in die gedingen verschillende data aan de orde zijn, niet voor inwilliging in aanmerking komt.

Ten aanzien van de door appellant opgeworpen grief inzake het naar zijn opvatting onzorgvuldig handelen van het Uwv overweegt de Raad dat, blijkens de gedingstukken, de periode tussen het opvragen op 18 december 2003 van inlichtingen bij de appellant behandelende psycholoog/psychotherapeut, verbonden aan Mentrum geestelijke gezondheidszorg Amsterdam, en het nemen van het bestreden besluit twee maanden bedraagt, hetgeen de rechtbank – naar het oordeel van de Raad met juistheid – als een redelijke termijn als eerderbedoeld heeft aangemerkt. Weliswaar had van het Uwv verwacht mogen worden dat het Mentrum had gerappelleerd ter zake van de gevraagde inlichtingen, maar de Raad acht – met de rechtbank – het achterwege blijven daarvan in dit geval niet van zodanig zwaarwegende aard dat het bestreden besluit reeds om die reden vernietigd zou moeten worden. Gelijk de rechtbank is immers ook de Raad uit de op 8 maart 2004 verstrekte informatie niet gebleken dat Mentrum een van de verzekeringsarts afwijkende mening heeft of dat daaruit andere of verdergaande beperkingen voortvloeien dan door de verzekeringsarts in de FML in aanmerking zijn genomen.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden komt ook de Raad tot het oordeel dat niet is kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts Wever geaccordeerde FML, zoals in de primaire fase van de besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Van Zalinge, geen juiste weergave vormt van de bij appellant ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt daarbij dat Wever blijkens haar rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellant kennis droeg van uitgebreide over hem beschikbare informatie van de behandelend sector. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een ander licht werpen op zijn gezondheidstoestand op het tijdstip dat in geding is.

Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de schatting overweegt de Raad het volgende.

De in dit geding aan de orde zijnde schatting is uitgevoerd met behulp van het CBBS. In zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN: AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) heeft de Raad overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als onder-steunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad heeft voorts overwogen dat vanwege de hem gebleken onvolkomenheden van het CBBS uiterlijk bij het besluit op bezwaar de schatting dient te zijn voorzien van een zodanig deugdelijke toelichting en motivering dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in, en een voldoende mogelijkheid tot toetsing wordt verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. In reeds lopende zaken, waarin aan laatstvermelde eis niet is voldaan, dient het bestreden besluit in beginsel te worden vernietigd. Indien het Uwv het bestreden besluit in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep alsnog voorziet van een ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

In hoger beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige L.G.W. Lind in haar rapport van 23 februari 2005 uitgebreid nader gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, ondanks de vastgestelde beperkingen, de belastbaarheid van appellant niet te boven gaan. Daarbij is Lind ingegaan op zowel de niet-matchende als op de matchende beoordelingspunten. De Raad acht deze nadere motivering toereikend. Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de conclusie dat in hoger beroep de ontbrekende onderbouwing van het bestreden besluit alsnog is gegeven. De Raad stelt voorts vast dat het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen. Gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot het CBBS leidt dit tot vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Awb en tot de bepaling dat de rechts-gevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand worden gelaten. Gelet op een en ander dient ook de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 11,70 aan reiskosten in eerste aanleg en op

€ 11,70 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.311,40.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.311,40, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) C.D.A. Bos.