Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
05-2597 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling. Intrekking WAZ-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2597 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 maart 2005, 04/750 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van Wolde, thans advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellante heeft op 19 februari 2007 aanvullende gronden voor het hoger beroep ingediend en daarbij een rapport van de psychiater I.Ch. Oostveen van 5 juli 2006 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007.

Appellante is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T. Wielinga.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als zelfstandige. Zij verleende telefoonservice en verrichtte secretariële werkzaamheden voor gemiddeld 47 uur per week toen zij zich op 12 januari 2002 ziek meldde met psychische klachten. Bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek in september 2002 werd in verband met de diagnose burnout een urenbeperking tot ongeveer 2 uur per dag en ongeveer 10 uur per week aangenomen en tevens de verwachting van herstel op termijn uitgesproken, te beoordelen bij de eerstejaars herbeoordeling. Bij het arbeidskundig onderzoek bleken vervolgens onvoldoende functies duidbaar, waarna het Uwv bij besluit van 23 oktober 2003 aan appellante met ingang van 11 januari 2003 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) heeft toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de zogenoemde eerstejaars herbeoordeling is appellante op 21 november 2003 onderzocht door de verzekeringsarts C. Lelieveld. Volgens appellante was haar medische situatie ten opzichte van het vorige onderzoek ongewijzigd en stonden haar moeheidsklachten op de voorgrond. Voorts had appellante vooral buikklachten, waarvoor na onderzoek in het voorjaar van 2003 geen diagnose kon worden gesteld. Blijkens het rapport van zijn onderzoek van

21 november 2003 vond Lelieveld geen aanwijzingen voor verminderde aandacht, alsmede geheugen- of concentratiestoornissen. Wel was er, aldus Lelieveld, sprake van een stemmingsstoornis in combinatie met gebrek aan initiatief en lusteloosheid. In verband hiermede achtte Lelieveld appellante aangewezen op werkzaamheden zonder continu hoge werkdruk en zonder grote taakcomplexiteit. Tegemoetkomend aan mogelijk toch aanwezige, maar door hem niet geobjectiveerde, cognitieve functiestoornissen dienden de werkzaamheden plaats te vinden zonder eindverantwoording en zonder appèl op conflictbeheersing. Met inachtneming van deze beperkingen bestond er volgens Lelieveld geen medische indicatie voor een urenbeperking. Deze beperkingen legde Lelieveld vast in de in zijn rapport opgenomen zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst. Op basis hiervan werd vervolgens bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat er geen verlies aan verdiencapaciteit was. Hierna nam het Uwv het primaire besluit van

15 januari 2004, waarbij de WAZ-uitkering met ingang van 16 maart 2004 werd ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% was.

In de bezwaarprocedure keerde appellante zich tegen de medische grondslag van het primaire besluit en wel in het bijzonder tegen het laten vervallen daarbij van de eerder wel aangenomen urenbeperking.

De bezwaarverzekeringsarts T. Miedema beschikte blijkens zijn rapport van 26 mei 2004 over informatie van de behandelend klinisch psycholoog/psychotherapeut J. Wester van GGZ Acute Zorg te Sneek van 5 januari 2004, waarin werd gesproken van een langzaam herstel bij appellante van haar burnout en werd geconcludeerd tot een verminderde draagkracht en restcapaciteit vanwege haar lichamelijke beperkingen en de nog steeds, zij het minder sterk, aanwezige dysthymie. Gezien deze informatie en het dagverhaal van appellante achtte Miedema, anders dan eerder in verband met de inmiddels niet meer aanwezige burnout, geen aanleiding meer aanwezig voor het hanteren van een urenbeperking en onderschreef hij de beoordeling van Lelieveld. Bij het arbeidskundig heronderzoek in de bezwaarprocedure bracht de bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen in haar rapport van 26 mei 2004 de functieduiding terug tot functies uit een zestal SBC-codes en stelde zij andermaal vast dat er geen verlies van verdienvermogen was. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit bij zijn besluit van 27 mei 2004 ongegrond.

In beroep stelde de gemachtigde van appellante op 3 maart 2005 dat de afwijking bij de onderhavige beoordeling van het oordeel van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2002, met name wat betreft de urenbeperking, onvoldoende is gemotiveerd. Voorts was volgens appellante de door haar overgelegde informatie van haar behandelaar door Miedema onvoldoende bezien. Ter ondersteuning van haar standpunt legde de gemachtigde een brief over van de appellante behandelend psychiater van GGZ Acute Zorg van 4 mei 2004. Verder wees de gemachtigde op de taakcomplexiteit in de functie schadecorrespondent en op het hoge handelingstempo in andere functies.

Ter zitting van de rechtbank op 15 maart 2005 voegde de gemachtigde van het Uwv bij de pleitnota de rapporten van Miedema van 7 maart 2005 en van Van der Molen van 14 maart 2005. Volgens Miedema zijn de door de behandelend psycholoog vermelde lichamelijke klachten niet meegewogen omdat die niet tot zijn vakgebied behoren en leidde hij uit de informatie van deze psycholoog en de behandelend psychiater af dat appellante duidelijk opgeknapt was en dat zij niet meer voldeed aan de criteria voor het aannemen van een urenbeperking. Van der Molen ging uitgebreid in op de belastende factoren in de geduide functies in het licht van de in de FML opgenomen beperkingen, waarbij zij in het bijzonder aandacht besteedde aan de taakcomplexiteit en het handelingstempo. Van der Molen legde uiteindelijk functies behorende tot vier SBC-codes ten grondslag aan de schatting. Uitgaande van een maatmaninkomen van € 5,01 stelde zij andermaal vast dat er geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van 27 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens besliste de rechtbank omtrent vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluiten en achtte voorts de toelichting in het evengenoemde rapport van Van der Molen voldoende om de schatting door de resterende functies te laten dragen. Nu eerst in beroep een voldoende toelichting was gegeven omtrent de medische geschiktheid van de resterende functies, kwam de rechtbank evenwel, in het licht van de door haar vermelde uitspraken van de Raad van 9 november 2004, tot de hiervoor vermelde vernietiging van het bestreden besluit met de daaraan gekoppelde instandlating van de rechtsgevolgen.

In het in rubriek I van deze uitspraak vermelde aanvullend beroepschrift heeft de gemachtigde van appellante in de eerste plaats gewezen op het daarbij gevoegde rapport van de psychiater Oostveen. Voorts heeft de gemachtigde andermaal betoogd dat de resterende functies medisch niet geschikt zijn voor appellante.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad tekent daarbij aan dat in de in eerste aanleg overgelegde brief van de behandelend psychiater van 4 mei 2004, waarin sprake is van een dysthyme stoornis, een persoonlijkheidsstoornis NAO en een angststoornis NAO, melding wordt gemaakt van een wat wisselend beloop. Zo was er, volgens de psychiater, eind 2003 in verband met de onderhavige beoordeling sprake van een forse toename van de klachten, maar zijn deze klachten thans weer deels in remissie. De Raad heeft hieruit, evenals de rechtbank, niet kunnen afleiden dat de verzekeringsgeneeskundige conclusies van Miedema met betrekking tot de datum in geding, te weten 16 maart 2004, waaronder in het bijzonder die ten aanzien van het schrappen van de urenbeperking, onjuist moeten worden geacht. De in hoger beroep overgelegde brief van de psychiater Oostveen, waarin sprake is van een vergelijkbare diagnose als in de brief van 4 mei 2004, leidt de Raad niet tot een andere conclusie. Het door Oostveen verwoorde standpunt dat de hersteldverklaring van het Uwv – de Raad neemt aan dat bedoeld is de in geding zijnde afschatting – te vroeg is geweest, vindt naar het oordeel van de Raad onvoldoende steun in de door Miedema gewogen informatie van de behandelend psycholoog en psychiater in 2003/2004.

Wat betreft de medische geschiktheid van appellante voor de functies behorende tot de vier nog resterende SBC-codes overweegt de Raad dat twijfel mogelijk is omtrent de motivering in het rapport van Van der Molen van 14 maart 2005 ten aanzien van de functie schadecorrespondent. In dit rapport wordt op zichzelf erkend dat bij incassoprocedures sprake is van complexiteit, maar dit wordt haalbaar geacht omdat deze procedures slecht een zeer klein deel van het takenpakket uitmaken. Met de rechtbank acht de Raad evenwel de drie overige volgens Van der Molen resterende SBC-codes in haar rapport voldoende toegelicht wat betreft de belastende factoren. Daarbij wijst de Raad er nog op dat in de functies medewerker bank (SBC-code 516070) blijkens de omschrijving van de belastingen geen sprake is van conflicthantering. Hetzelfde moet naar het oordeel van de Raad, mede gelet op het meergenoemde rapport van Van der Molen van 14 maart 2005, worden aangenomen ten aanzien van het door de gemachtigde van appellante veronderstelde hoog handelingstempo in de functies van deze SBC-code. Ook indien de functie schadecorrespondent zou vervallen – de Raad stelt vast dat behandeling van complexe incassozaken deel uitmaakt van de functieomschrijving zonder dat blijkt dat sprake is van een zeer klein deel van de werkzaamheden in deze functie – vertegenwoordigen de functies in de drie resterende SBC-codes voldoende arbeidsplaatsen om de in geding zijnde schatting op te kunnen baseren en verandert zulks niets in de hiervoor vermelde vaststelling inzake het verlies aan verdienvermogen.

Uit al het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) C.D.A. Bos.