Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3266

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
05/506 WAO, 05/6289 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Weigering WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/506 WAO, 05/6289 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]e (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 december 2004, 03/2135 (hierna: aangevallen uitspraak 1), en van 19 september 2005, 05/417 (hierna: aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellante was werkzaam als verkoopster via Adecco Detachering, toen zij op 9 maart 1999 uitviel met rug-, been-, nek- en psychische klachten. Na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd weigerde het Uwv appellante met ingang van

22 februari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Met ingang van laatstgenoemde datum ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Appellante werkte inmiddels als telefoniste/receptioniste voor 20 uur per week toen zij zich ziek meldde op 5 april 2002 met vermoeidheidsklachten. Zij ontving over de maximale termijn ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) en bij besluit van

7 april 2003 weigerde het Uwv appellante bij het bereiken van de wachttijd met ingang van 4 april 2003 WAO-uitkering toe te kennen, omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van

7 april 2003 verklaarde het Uwv ongegrond bij besluit van 22 juli 2003 (bestreden besluit 1). De rechtbank verklaarde het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond. Het hoger beroep van appellante tegen deze uitspraak is geregistreerd onder nummer 05/506 WAO.

Appellante ontving een WW-uitkering, toen zij zich per 25 februari 2004 ziek meldde vanwege een opname in revalidatiecentrum Het Roessingh. Het Uwv deelde haar bij besluit van 29 november 2004 mee dat zij met ingang van diezelfde datum geen recht meer had op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit verklaarde het Uwv ongegrond bij besluit van 7 januari 2005 (bestreden besluit 2). De rechtbank verklaarde het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond. Het hoger beroep tegen deze uitspraak is geregistreerd onder nummer 05/6289 ZW.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij door haar beperkingen niet in staat is om werkzaamheden te verrichten van welke aard dan ook. Haar beperkingen vloeien voort uit chronische vermoeidheid en aanverwante klachten, zoals zware pijnklachten en diverse allergieën.

De Raad overweegt als volgt.

05/506 WAO

In de periode dat appellante ziekengeld ontving heeft een aan het Uwv verbonden arts, na kennisneming van een tweetal brieven van prof.dr. P. Pop (de behandelend internist van appellante), appellante laten onderzoeken door een revalidatiearts. Deze arts, P.J.C.M. van Leeuwen, heeft in een rapport van december 2002 aangegeven dat appellante in het dagelijks functioneren beperkt is ten aanzien van staan, lopen, zitten en de arm/handfunctie en dan zowel wat betreft de duur van de activiteiten als de wijze waarop de activiteiten worden uitgevoerd. Tevens heeft hij aangegeven dat appellante bekend is met diverse allergieën.

Appellante heeft vervolgens naar aanleiding van haar aanvraag om een WAO-uitkering op 30 januari 2003 een arbeidsmedisch onderzoek ondergaan. De verzekeringsarts heeft appellante beperkt geacht ten aanzien van staan, lopen, zitten, de hand/armfunctie en de rugbelastbaarheid en deze beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Voor de allergieën heeft de verzekeringsarts geen beperkingen aangenomen, omdat de allergieën nauwelijks gespecificeerd blijken te kunnen worden door de uitgebreidheid. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige het Claim- Beoordelings- en Borgings Systeem (CBBS) geraadpleegd en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 7,26%.

In de bezwaarfase heeft een bezwaarverzekeringsarts de FML enigszins aangepast en wel in die zin dat appellante een aantal specifieke allergenen, te weten chroom, leer, diverse voedingsmiddelen en diverse (kunststof)textielproducten, dient te vermijden. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft na onderzoek vastgesteld dat tengevolge van deze wijziging van de FML slechts de reservefunctie in Sbc-code 272043 (gordijnennaaister/stikster) komt te vervallen en er dus geen reden is de mate van arbeidsongeschiktheid te herzien.

In beroep heeft appellante een brief van revalidatiearts C.G.M. Warmerdam, verbonden aan Het Roessingh, in geding gebracht, waarin is bevestigd dat appellante van 1 maart 2004 tot en met 29 april 2004 heeft deelgenomen aan een klinisch revalidatieprogramma met als doel het leren omgaan met chronische vermoeidheidsklachten en de beperkingen daarvan. Tevens heeft zij een afspraakbevestiging voor het ondergaan van twee MRI’s op 23 november 2004 aan de rechtbank toegezonden.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts geaccordeerde beperkingen, aangevuld met een beperking voor een aantal allergieën, voor onjuist te houden. De Raad kan zich met deze conclusie verenigen en overweegt daarbij ook dat rekening is gehouden met de bevindingen van de behandelend internist en van de op verzoek van het Uwv ingeschakelde revalidatiearts. De door appellante in beroep ingebrachte gegevens hebben geen betrekking op de datum die in het WAO-geding van belang is, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1, met name de toepassing van de schattingsmethodiek met behulp van het CBBS, verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJ-nummers AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.

De Raad stelt vervolgens vast dat bestreden besluit 1 vóór 1 juli 2005 is genomen en dat eerst in hoger beroep met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters van 19 april 2005 de gewenst geachte arbeidskundige motivering van het bestreden besluit is gegeven, welke motivering naar het oordeel van de Raad voldoende overtuigend is. Het mediaanloon van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, afgezet tegen het maatmaninkomen van appellante, laat een verlies aan verdiencapaciteit zien van minder dan 15%, zodat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante per

4 april 2003 geen aanspraak kan maken op een WAO-uitkering.

Gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat bestreden besluit 1 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand kunnen worden gelaten. Aangevallen uitspraak 1 komt als gevolg hiervan tevens voor vernietiging in aanmerking.

05/6289 ZW

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom zij geen aanleiding heeft gezien de conclusie van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsartsen voor onjuist te houden. De Raad kan zich in die overwegingen volledig vinden en verenigt zich daarmee. Het Uwv heeft erkend dat appellante beperkingen ondervindt, echter niet in die mate waarin appellante stelt beperkingen te hebben. Verdergaande beperkingen dan het Uwv heeft vastgesteld zijn echter niet te objectiveren. Het Uwv heeft appellante terecht met ingang van 29 november 2004 niet langer ongeschikt geacht voor haar arbeid in de zin van de ZW en op die grond beslist dat appellante met ingang van laatstgenoemde datum geen recht meer heeft op ziekengeld. Het hoger beroep in deze zaak slaagt niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 16 december 2004;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 22 juli 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 19 september 2005;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.