Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3246

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
05-1743 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten en/of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1743 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 22 februari 2005, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat te Amsterdam, de gronden van het hoger beroep uiteengezet.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellant zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld, onder meezending van een psychiatrische expertise, waarop vervolgens door het Uwv is gereageerd.

Namens appellant is een nadere reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ouderdorp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 mei 1996 heeft het Uwv appellant arbeidsgeschikt geacht en de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering met ingang van 1 augustus 1996 ingetrokken. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant van 14 januari 2003 strekt ertoe dat het Uwv van dit eerdere besluit terugkomt.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

Appellant heeft in zijn schrijven van 14 januari 2003 zijn verzoek om herziening van het besluit van 29 mei 1996 aldus gemotiveerd dat hij op dat moment met twee klachten van doen had, te weten psychische klachten (overspannenheid) en een carpaal tunnel syndroom. Appellant stelt zich op het standpunt dat voor de intrekking van de uitkering destijds ten onrechte toereikend is geacht de verdwijning van de klachten ten gevolge van het carpaal tunnel syndroom, daar zijn arbeidsongeschiktheid ook toen reeds (mede) werd veroorzaakt door zijn problemen van psychische aard. Met ingang van 17 februari 2000 heeft appellant vanwege psychische klachten een WAO-uitkering naar de klasse 80 tot 100% toegekend gekregen. Hij is de mening toegedaan dat in de periode 1996-2000 geen onderbreking in dit ziektebeeld opgetreden is, zodat het besluit uit 1996 een onjuiste medische grondslag kent.

Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een op 9 maart 2002 door een medewerkster van de William Schrikker Stichting opgesteld rapport ingebracht.

De primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben geen medische gronden gezien die aanleiding zouden moeten geven om tot herziening van het besluit van 29 mei 1996 over te gaan. Bij besluit van 19 mei 2003, in bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 12 januari 2004, heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van appellant afgewezen.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad, ten aanzien van het rapport van de William Schrikker Stichting overwogen dat een medische verklaring als zodanig niet een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb oplevert. Wel kan uit een dergelijke verklaring de aanwezigheid van een nieuw feit blijken. De rechtbank heeft de vraag opgeworpen of het hier wel om een medische verklaring handelt, nu ter zitting appellant verklaard heeft dat de opstelster geen medisch specialiste is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verklaring - zoals appellant zelf ook aangeeft - een overzicht bevat van appellants gezins-, arbeids, en hulpverleningsverleden. Niet blijkt daaruit van wezenlijk andere gegevens ten aanzien van appellants medische situatie dan waarmee de verzekeringsartsen als bekend waren, zodat er geen sprake kan zijn van nieuwe feiten en omstandigheden.

De Raad kan zich met dit oordeel van de rechtbank verenigen.

In hoger beroep is van de zijde van appellant een op 21 maart 2006 gedateerde psychiatrische expertise door psychiater

D. Lam ingebracht.

Ten aanzien van dit rapport overweegt de Raad als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie dienen feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, lid 1, van de Awb gesteld te worden bij het herzieningsverzoek. Bij het nemen van het besluit op bezwaar dienen alle voor dat verzoek relevante feiten en omstandigheden bij het bestuursorgaan bekend te zijn. Met nadien door de aanvrager ingediende feiten of omstandigheden, zoals het rapport van de psychiater Lam, heeft het bestuursorgaan bij zijn oordeelsvorming geen rekening kunnen houden, in verband waarmee ze ook niet betrokken worden bij de rechterlijke toetsing van het bestreden besluit.

Dit betekent dat het psychiatrische rapport van Lam niet meegewogen kan worden in het huidige geding en hooguit, zo appellant daarvoor zou kiezen, bij een nieuwe aanvraag betrokken kan worden.

De Raad concludeert dat het door appellant aangevoerde geen nieuwe feiten en/of omstandigheden oplevert in de zin van artikel 4:6 van de Awb, in welk verband de Raad nog opmerkt dat appellants psychische klachten destijds alleszins bekend waren bij de verzekeringsartsen, zoals onder meer naar voren komt uit het (handgeschreven) rapport van verzekeringsarts

R. van Oijen van 11 september 1995.

Ook anderszins is de Raad niet kunnen blijken van feiten en omstandigheden, betrekking hebbend op de hier aan de orde zijnde datum 1 augustus 1996, die destijds nog niet bekend waren en uit dien hoofde niet konden worden ingebracht in een procedure met betrekking tot het intrekkingsbesluit van 29 mei 1996. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, de aanvraag van appellant af te wijzen en voor de motivering van de beslissing te volstaan met een verwijzing naar zijn eerder besluit. Er is niet kunnen blijken van enige grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, zij het met wijziging van de gronden waarop deze berust, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.