Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
05-7426 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevolgen van het eigenrisicodragerschap na toekenning van een uitkering ingevolge de WAO aan een (ex-)werknemer, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van Awb, strekkende tot het opleggen van een betalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/7426 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2005, 05/1208 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[werkgever] (hierna: werkgever).

Datum uitspraak: 17 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Werkgever is door de Raad bij brief van 16 januari 2006 in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Bij brief van 21 november 2006 heeft de Raad partijen verzocht om in te stemmen met een uitspraak van de Raad zonder behandeling ter zitting.

Appellant heeft die toestemming verleend. Werkgever heeft niet op het verzoek van de Raad gereageerd.

Na de verzending van de kennisgeving van behandeling van deze zaak ter zitting heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, bij faxbericht van 5 maart 2007 aan de Raad en aan appellant medegedeeld dat hij als gemachtigde van werkgever ter zitting van de Raad zou verschijnen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007. Appellant is niet verschenen. Namens werkgever zijn verschenen zijn directeur R.F.E. Boessen en mr. De Rooij.

II. OVERWEGINGEN

Bij werkgever was [naam werknemer], verder te noemen: werknemer, sedert 11 augustus 2003 werkzaam in dienstbetrekking. Werknemer werd op 23 augustus 2003 ongeschikt voor zijn arbeid. Aan werknemer is met ingang van 23 augustus 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

Aan werkgever is met ingang van 1 juli 2004 op diens verzoek toestemming verleend om zelf het risico te dragen van betaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de WAO.

Bij brief van 30 juli 2004 heeft appellant het volgende aan werkgever medegedeeld:

“Aan de heer [naam werknemer] is met ingang van 23 augustus 2004 een uitkering ingevolge de WAO toegekend (zie het besluit dat u op 30 juli 2004 in afschrift werd toegezonden).

U bent per 1 juli 2004 eigenrisicodrager voor de WAO geworden. Op grond van artikel 75a van de WAO komt de hierboven vermelde uitkering zolang deze nog geen 5 jaar heeft geduurd voor uw risico. Bovendien dient u op grond van artikel 75a van de WAO ook zorg te dragen voor de betaling van deze uitkering vanaf het moment dat u eigenrisicodrager bent geworden.

Met ingang van 23 augustus 2004 dient u dan ook de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de heer [naam werknemer] te betalen. Deze uitkering bedraagt per 23 augustus 2004 14% van 100/108 van € 74,88, is € 9,71 bruto per uitkeringsdag.”

Bij besluit van 2 februari 2005, verder: het bestreden besluit, heeft appellant het door werkgever hiertegen gemaakt bezwaar ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft appellant ook nog aangegeven dat op 2 september 2004 een besluit is gezonden aan [naam werknemer] en werkgever, inhoudende – onder intrekking van het besluit van 30 juli 2004 – dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 augustus 2004 was gewijzigd in 80-100%.

Over het bezwaar van werkgever tegen de inhoud van de brief van 30 juli 2004 heeft de rechtbank geen oordeel gegeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 30 juli 2004 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van werkgever tegen de brief van 30 juli 2004 niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft aangegeven waarom hij van mening is dat de brief van 30 juli 2004 wel een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is, zodat het door werkgever gemaakt bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Appellant heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank opdat in twee instanties kan worden geoordeeld over de inhoudelijke aspecten van de zaak.

Eerst ter zitting van de Raad is namens werkgever aangevoerd dat hij zich volledig kan verenigen met het standpunt van het Uwv over de ontvankelijkheid van het door hem, werkgever, gemaakte bezwaar.

De gemachtigde van werkgever heeft voorts de Raad verzocht om de zaak niet terug te wijzen naar de rechtbank maar zelf inhoudelijk af te doen of het onderzoek in de zaak te heropenen. Daartoe is ter zitting een betoog gehouden waarvan de strekking is dat een juiste uitleg van de wettelijke bepalingen over het dragen van eigen risico door werkgever tot de conclusie moet leiden dat in het onderhavige geval ten onrechte een betalingsverplichting is opgelegd aan werkgever.

De Raad oordeelt als volgt.

Het hoger beroep van appellant slaagt, nu de Raad in zijn, partijen bekende, uitspraak van 10 oktober 2006, LJN: AZ0127,

- anders dan hij voorheen deed - heeft geoordeeld dat een brief aan een werkgever met informatie over de gevolgen van het eigenrisicodrager-schap na toekenning van een uitkering ingevolge de WAO aan een (ex-)werknemer, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, strekkende tot het opleggen van een betalingsverplichting. De Raad ziet geen grond om in het onderhavige geval hierover anders te oordelen.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in strijd met het bepaalde in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is gewezen en daarom niet in stand kan blijven.

Gelet op artikel 26 van de Beroepswet is de Raad in een geval als het onderhavige in beginsel gehouden de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, in dit geval de rechtbank Rotterdam, teneinde de zaak verder te behandelen. Dit zou ingevolge artikel 27 van de Beroepswet anders kunnen zijn indien naar het oordeel van de Raad de zaak geen nadere behandeling behoeft. Aangezien echter de gemachtigde van de werkgever eerst ter zitting van de Raad zijn stellingen met betrekking tot de loondoorbetalingsverplichtingen heeft betrokken en appellant daar niet op heeft kunnen reageren, terwijl voorts niet eens vaststaat of appellant van die stellingen op de hoogte was en deze stellingen onverwacht en geheel afwijken van hetgeen eerder namens de werkgever werd betoogd, ziet de Raad geen aanleiding om te concluderen dat de situatie bedoeld in artikel 27 van de Beroepswet zich voordoet, zodat de Raad het daartoe strekkende verzoek van de gemachtigde van de werkgever afwijst.

Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Rotterdam.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) C.D.A. Bos.