Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3179

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
06/3482 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Betrokkene was ten onrechte niet gehoord.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3482 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 mei 2006, 05/2453 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, advocaat te Valkenburg aan de Geul, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 26 September 2006 (LJN AY9262) heeft de voorzieningenrechter van de Raad een verzoek om voorlopige voorziening van appellant afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2007. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.A.A. Buttolo, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 4 September 2003 bij stand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand is met ingang van 11 maart 2004 ingetrokken.

Op 15 maart 2005 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 7 juni 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet woonachtig is op het door hem aan het College opgegeven adres.

Bij besluit op bezwaar van 7 november 2005 heeft het College de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd op de grond dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de wijze waarop hij sedert de intrekking van de bijstand met ingang van 11 maart 2004 in zijn levensonderhoud heeft voorzien en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of recht op bijstand bestaat. Bij dat besluit heeft het College voorts overwogen dat in voldoende mate toepassing is gegeven aan artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat, gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb geen gevolg is gegeven aan de verwachting van appellant dat hij (opnieuw) zou worden uitgenodigd voor een hoorzitting.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad heeft reeds vaker tot uitdrukking gebracht dat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg staat aan de handhaving in bezwaar van de afwijzing van de aanvraag op een andere grond dan die waarop het primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor volledige heroverweging (zie onder meer de uitspraak van 7 juli 1998, LJN ZB7709). De Raad passeert dan ook de daarop betrekking hebbende grief van appellant.

Anders dan de rechtbank volgt de Raad appellant wel in zijn grief dat hij ten onrechte niet is gehoord naar aanleiding van zijn bezwaar. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de toenmalige gemachtigde van appellant zich heeft afgemeld voor de op 30 augustus 2005 geplande hoorzitting om de reden dat het hem niet was gelukt om hierover met appellant in contact te treden, dat het College vervolgens vragen heeft gesteld die geen verband hielden met de grondslag van het primaire besluit en dat de toenmalige gemachtigde van appellant in reactie hierop te kennen heeft gegeven dat appellant wenste te worden gehoord. Onder deze omstandigheden had het College appellant daartoe in de gelegenheid moeten stellen voordat het op het bezwaar besliste. Het College heeft zich derhalve ten onrechte bevoegd geacht tot toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb op grond waarvan van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien indien belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.

Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 7 november 2005 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb vernietigen.

Teneinde tot een finale beslechting van het geschil te komen zal de Raad op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting bezien of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

In zijn uitspraak van 26 September 2006 heeft de voorzieningenrechter van de Raad met betrekking tot de materiele grond voor afwijzing van de aanvraag onder meer het volgende overwogen waarbij appellant als verzoeker is aangeduid:

"De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat volgens vaste rechtspraak van de Raad het betrokken bestuursorgaan, indien de omstandigheden van het individuele geval daartoe aanleiding geven, van de aanvrager om bij stand mag verlangen dat hij inzicht verschaft in de wijze waarop hij gedurende een zekere periode voorafgaand aan de aanvraag hi zijn levensonderhoud heeft voorzien. Verzoeker heeft bij zijn aanvraag verklaard dat hij niet over vermogen beschikt, diverse schulden heeft en niet over een motorvoertuig beschikt. Vervolgens is echter uit onderzoek gebleken dat op 6 april 2004 een auto op naam van verzoeker is gesteld en dat hij op 15 april 2004 een bedrag van € 5.554,87 contant heeft betaald teneinde een (huur)schuld te voldoen. Het College heeft hierin terecht aanleiding gezien verzoeker om een verklaring terzake te vragen.

Verzoeker heeft daarop verklaard dat hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien door geld te lenen van bekenden en dat hij een bedrag van € 10.000,--in een casino heeft gewonnen waarmee hij schulden heeft afgelost. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat hij leningen heeft afgesloten om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; de door hem overgelegde schuldverklaringen zijn onduidelijk, bevatten onvoldoende gegevens en zijn achteraf opgesteld. Ook de gestelde winst in een casino is niet verifieerbaar. Bovendien heeft verzoeker nimmer enige toelichting gegeven over de op zijn naam gestelde auto. In die omstandigheden heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingen-verplichting en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij verkeerde in (bijstandbehoevende) omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.".

De Raad ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan de voorzieningenrechter in zijn hiervoor aangehaalde overwegingen heeft gedaan. Gezien het vorenstaande laat de Raad de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 7 november 2005 in stand.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke worden begroot op € 644,— in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbij stand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 7 november 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het veraietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te

betalen door de gemeente Heerlen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Heerlen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) D. Olthof.

PR/140307