Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3167

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
05-2272 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2272 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 maart 2005, 04 - 385 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. van der Veen, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007. Namens appellante is mr. Van der Veen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1954, was werkzaam als wijkziekenverzorgende. In september 1990 is zij, na een ongeval met de fiets, voor die werkzaamheden uitgevallen. In verband daarmee is haar met ingang van 7 september 1991 een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Nadien heeft appellante werkzaamheden hervat bij dezelfde werkgever, ditmaal als consultatiebureau-assistent. Ook uit die functie is zij uitgevallen, in verband waarmee haar WAO-uitkering per 23 maart 1998 werd herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat appellante in januari 2003, in verband met de zogenoemde 5e jaars herbeoordeling, door een verzekeringsarts was onderzocht, heeft een arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante herberekend. Dit leidde tot het besluit van 26 augustus 2003 waarbij die mate van arbeidsongeschiktheid per 19 oktober 2003 werd gesteld op minder dan 15%, hetgeen met zich bracht dat de WAO-uitkering per die datum werd ingetrokken.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft bij het thans bestreden besluit van 23 februari 2004 die bezwaren ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dat beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante, kort gezegd, gesteld dat de medische beoordeling onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij is gewezen op de mening van de revalidatiearts Alblas-Wiersma die volgens appellante aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van het Uwv. Appellante wijst er voorts op dat haar afwijkingen objectief zijn toegenomen terwijl volgens het Uwv de beperkingen zijn afgenomen. Verder stelt appellante dat zij de haar geduide functies niet kan vervullen. Daarbij stelt zij tevens - althans, zo begrijpt de Raad de stellingen van de gemachtigde - dat er ten aanzien van haar een urenbeperking moet worden aangenomen en dat er in die functies sprake is van afwijkende arbeidstijden waarin zij niet kan werken. Ten slotte is verzocht om de benoeming van een deskundige die appellante zou moeten onderzoeken teneinde antwoord te geven op een aantal vragen met betrekking tot haar beperkingen.

De Raad oordeelt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek waarop het Uwv zich heeft gebaseerd, voldoende zorgvuldig is geweest. Appellante heeft op 13 januari 2003 het spreekuur van een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts bezocht. Uit het dossier blijkt dat die verzekeringsarts het dossier van appellante, waarin zich informatie uit de behandelende sector bevond, had bestudeerd en dat een anamnese is afgenomen. In overleg is besloten dat, gelet op de aard van de klachten, een lichamelijk onderzoek bij appellante achterwege kon blijven. Appellante heeft haar standpunt vervolgens kunnen toelichten op een hoorzitting die heeft plaatsgevonden op 16 december 2003 waarbij ook een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts aanwezig was. Naar aanleiding van de stellingen van appellante is vervolgens door het Uwv informatie opgevraagd bij de behandelende sector. De naar aanleiding daarvan ontvangen informatie bevestigde de eerder getrokken conclusies dat er ten aanzien van appellante beperkingen dienden te worden aangenomen in verband met de door haar ondervonden psychische klachten, die volgens de bezwaarverzekeringsarts niet ernstig waren, en ten aanzien van fysieke belasting. De Raad is, met het Uwv, van oordeel dat aan de brief van de revalidatiearts K.C. Alblas-Wiersma van 1 juli 2004 niet die betekenis kan worden toegekend die appellante daaraan wil toekennen omdat niet is aangegeven op basis van welk onderzoek, anders dan op basis van de eigen verklaringen van appellante, die revalidatiearts de betreffende beperkingen aanneemt terwijl door die revalidatiearts evenmin informatie is verstrekt over de ernst en de exacte locatie van de geconstateerde afwijkingen. Het standpunt van de revalidatiearts dat appellante niet kan voldoen aan arbeidsbelasting is bovendien niet in verband gebracht met de datum bij het bestreden besluit in geding. Daarbij wijst de Raad er nog op dat uit de overige medische informatie voldoende duidelijk blijkt dat er ten aanzien van appellante wel enige beperkingen kunnen worden aangenomen, maar dat die beperkingen niet zo ver gaan als door appellante wordt gesteld. De diverse behandelaars geven daarbij aan dat er – kort gezegd – sprake is van veel somatisch niet te verklaren klachten bij appellante. Het Uwv heeft, gelet daarop, met het aannemen van de beperkingen bij appellante zoals die zijn opgenomen in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst, appellante niet te kort gedaan. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige een nader onderzoek naar de beperkingen van appellante te laten verrichten en wijst het daartoe strekkende verzoek van de gemachtigde dan ook af.

De Raad is met de rechtbank en het Uwv van oordeel dat appellante, uitgaande van de juistheid van de voor haar vastgestelde beperkingen, de haar voorgehouden functies op de datum in geding kon vervullen. De Raad wijst er daarbij op dat in de functies van caissière en loketbediende geen sprake is van wisselende diensten, maar van werkzaamheden in avonduren en de weekenden waarvoor geen toeslag in het loon is opgenomen. Anders dan appellante stelt zijn deze functies dan ook niet in strijd met artikel 9, aanhef en onderdeel f, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten geduid. Evenmin is het de Raad gebleken dat de arbeidstijden in die functies ten opzichte van appellante niet passend zouden zijn.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) C.D.A. Bos.