Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3159

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
06-420 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

College was bevoegd de aanvraag van betrokkene om bijstandsuitkering buiten behandeling te laten. Verstrekken van onvoldoende gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/420 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 december 2005, 05/2325 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 maart 2007, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 24 januari 2005 een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand. Omdat bij de indiening van de aanvraag naar het oordeel van het College nog niet alle benodigde gegevens waren overgelegd, heeft het College appellant bij brief van 1 maart 2005 verzocht om binnen twee weken nadere gegevens te verstrekken, waaronder een aantal ontbrekende bankafschriften, rekeningoverzichten van de Comfort Card van appellant over de periode van 17 juni 2004 tot en met 17 december 2004 en rekeningoverzichten van zijn creditcard over dezelfde periode. In deze brief is verder vermeld dat, indien de gegevens niet of niet volledig worden verstrekt, de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Vervolgens heeft het College op 4 april 2005 besloten de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling te nemen wegens het niet of niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens.

Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 18 mei 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

18 mei 2005 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant de uitspraak van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Hij betwist niet dat hij niet alle gegevens tijdig heeft verstrekt, maar heeft zijn in bezwaar naar voren gebrachte grief herhaald dat hij voor het verkrijgen van die gegevens afhankelijk was van verschillende instanties. Appellant stelt in overleg te zijn getreden met een medewerker van de sociale dienst en toen telefonisch uitstel te hebben verkregen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Naar het oordeel van de Raad zijn - in elk geval - de hiervoor genoemde bankafschriften en rekeningoverzichten noodzakelijk om inzicht te krijgen in de financiƫle situatie van appellant en daarmee voor de beoordeling van de vraag of hij voor de door hem gevraagde bijstand in aanmerking komt. Voorts is de Raad van oordeel dat appellant redelijkerwijs in staat moet zijn geweest om over deze gegevens te beschikken en deze tijdig over te leggen. Indien appellant niettemin, zoals hij heeft gesteld, niet in staat was alle gegevens te verzamelen binnen de hersteltermijn, had het op zijn weg gelegen het College binnen die termijn hiervan op de hoogte te stellen en om nader uitstel te verzoeken. Van een verzoek om uitstel is niet gebleken. Voor de stelling van appellant dat hij telefonisch uitstel heeft gevraagd en gekregen ontbreekt ieder bewijs.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het College bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S. van Ommen.