Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
05-4436 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verlenging dienstverband: het bestuursorgaan heeft zich prematuur op het standpunt gesteld dat betrokkene niet aan de redelijkerwijs aan hem te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4436 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2005, 03/5990 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Stichting Gemeentelijk Gymnasium [plaastsnaam] (hierna: stichting)

Datum uitspraak: 29 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft voor zijn verweer volstaan met verwijzing naar hetgeen zij eerder in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007. Appellant is verschenen. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schutter, werkzaam bij VOS/ABB te Woerden, en drs. [K.], conrector bij het gemeentelijk gymnasium te [plaatsnaam].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 25 januari 2003 is appellant voor bepaalde tijd - voor de periode van 20 januari 2003 tot en met 31 juli 2003 - aangesteld als [naam functie] bij het gemeentelijk gymnasium te [plaastsnaam] met een werktijdfactor van 0,3077. Daarbij is vermeld dat het een eerste dienstverband betrof met een uitzicht op een aanstelling voor onbepaalde tijd.

1.2. Nadat op 13 juni 2003 een incident op school had plaatsgevonden waarbij appellant betrokken was, en vervolgens nadere informatie was verkregen, heeft de rector appellant op 19 juni 2003 medegedeeld dat het dienstverband met hem niet zou worden verlengd.

Appellant heeft zich hiertegen verweerd. Vervolgens is appellant bij besluit van 30 juni 2003 voor bepaalde tijd - voor de periode van 1 augustus 2003 tot en met 19 januari 2004 - aangesteld als [naam functie] bij voornoemd gymnasium met een werktijdfactor van 0,2308. Bij besluit van eveneens 30 juni 2003 is appellant voorts met ingang van 20 januari 2004 ontslag verleend; kennelijk is hiermee bedoeld reeds een opzegging te doen als bedoeld in artikel F6 van de als rechtspositieregeling geldende CAO van het Voortgezet Onderwijs.

In een begeleidend schrijven bij deze besluiten is appellant medegedeeld dat er vele klachten over hem waren binnengekomen en dat de wijze waarop appellant communiceert met de leerlingen en medewerkers niet past in het beeld dat de school zich als wenselijk voor ogen stelt. Voorts hebben de uiteindelijke beoordelingen door appellant van de prestaties van de leerlingen de school grote schade in de beeldvorming toegebracht. Volgens de schoolleiding is er geen perspectief op een beter functioneren van appellant. Aangezien de rector appellant evenwel in april 2003 een verlenging van het tijdelijke dienstverband had toegezegd, is besloten appellant nog een verlenging te geven voor zes lesuren per week. In de verlengingsperiode wordt van appellant echter geen arbeidsprestatie verwacht, waaraan is toegevoegd dat na die periode het dienstverband definitief is beëindigd.

1.3. Bij het bestreden besluit van 10 november 2003 heeft de stichting na door appellant gemaakt bezwaar de besluiten van 30 juni 2003 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep onder meer gesteld dat hem met ingang van 1 augustus 2003 een aanstelling voor onbepaalde tijd had moeten worden gegeven omdat de rector hem in april 2003 een toezegging in die zin heeft gedaan en dat in ieder geval niet op voorhand al een opzegging van het hernieuwde tijdelijke dienstverband mocht plaatsvinden. Het incident op 13 juni 2003 kan volgens hem op geen enkele wijze een rechtvaardiging vormen voor de betrokken besluitvorming. Vanwege de stichting is ten onrechte ook niet de zienswijze van appellant omtrent dit incident gevraagd.

3.2. De stichting heeft haar in het bestreden besluit neergelegde standpunt uitdrukkelijk gehandhaafd.

4. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Vaststaat dat de rector appellant, die voor een proefperiode was aangesteld, eind april 2003 kenbaar heeft gemaakt dat zijn dienstverband ingaande 1 augustus 2003 op enigerlei wijze zou worden voortgezet. Begin juni 2003 is appellant voorts nog uitdrukkelijk betrokken bij de roosterindeling voor het nieuwe schooljaar.

4.2. Het incident dat zich vervolgens op 13 juni 2003 voordeed komt erop neer dat een aantal leerlingen uit klas 3a binnendrong in het lokaal waarin appellant op dat moment een toets afnam bij een andere klas; deze leerlingen lieten daarbij blijken het ten zeerste oneens te zijn met de beoordeling door appellant van werkstukken van hun hand. Hierdoor ontstond grote consternatie op de school. De grieven van bedoelde leerlingen en nader verkregen informatie van anderen hebben de stichting tot het oordeel gebracht dat met appellant op de school niet verder kon worden gegaan.

4.3. De direct na het incident door de rector verkregen informatie van anderen betreft een schrijven en een e-mailbericht van de leerjaarcoördinator W alsmede een e-mailbericht van de mentor van klas 3a, H. De inlichtingen van W zien op klachten van ouders van leerlingen in maart 2003 over het lesgeven door appellant en de omgang met de leerlingen. Deze klachten hebben toen tot een gesprek van W met appellant geleid en dit heeft kennelijk verbetering gebracht. Met klas 3a, die als een lastige klas bekend stond, zouden evenwel problemen zijn blijven bestaan.

Het e-mailbericht van H maakt uitsluitend melding van klachten van leerlingen en geeft geen blijk van eigen ervaringen of waarnemingen met betrekking tot appellant.

Verder hebben (slechts) enkele leerlingen hun grieven omtrent het functioneren van appellant op schrift gesteld, maar ook dit pas na het incident van 13 juni 2003.

4.4. Niet gebleken is dat de rector of de stichting een min of meer serieus onderzoek naar de gerechtvaardigdheid van de grieven van leerlingen tegen appellant heeft ingesteld. Opmerkelijk is dat deze grieven pas na het incident aan de schoolleiding bekend zijn geworden. Aangezien appellant voor een proefperiode in dienst was, had mogen worden verwacht dat ernstige en gerechtvaardigde grieven door W, H of andere collega’s van appellant (tijdig) aan de schoolleiding kenbaar waren gemaakt opdat deze die grieven in beschouwing zou kunnen nemen bij de beslissing over al dan niet voortzetting van het dienstverband. Tot aan het incident heeft blijkbaar geen van de collega’s daartoe aanleiding gezien.

4.5. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de beslissing om het dienstverband met appellant niet in enigerlei vorm voort te zetten in feite is genomen zonder dat tevoren een gesprek met appellant is aangegaan over de door de leerlingen ingebrachte grieven en dus ook zonder dat hem een (reële) gelegenheid is geboden zijn zienswijze daarover te geven. De Raad acht dit niet juist. Niet kan immers worden uitgesloten dat appellant bereid en in staat zou zijn geweest om, voor zover de grieven gerechtvaardigd waren, wijziging aan te brengen in zijn optreden als leraar en in zijn omgang met de leerlingen. In dat geval had het op de weg van de stichting gelegen om appellant door verlening van een nieuwe aanstelling voor bepaalde tijd in dezelfde (uren)omvang nog gelegenheid te geven om daadwerkelijk te laten zien dat hij in staat is om op de juiste manier te functioneren, zoals het bestuur dat verlangde en redelijkerwijs ook kon verlangen. Deze gelegenheid is appellant echter zonder meer onthouden.

De Raad is overigens wel van oordeel dat de stichting zich, gezien het incident op 13 juni 2003, in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat voor aanstelling voor onbepaalde tijd geen plaats meer was, ook al had de rector appellant, zoals deze stelt, in april 2003 nog een aanstelling voor onbepaalde tijd in het vooruitzicht gesteld.

4.6. Ten slotte merkt de Raad nog op dat het incident op 13 juni 2003 op zichzelf niet van beslissende betekenis kan worden geacht; dit reeds omdat niet duidelijk is (of en zo ja) in welke mate appellant zelf aanleiding heeft gegeven tot dit incident, waarbij in elk geval sprake lijkt te zijn van onbetamelijk gedrag van een aantal leerlingen.

4.7. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de stichting zich prematuur op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aan de redelijkerwijs aan hem te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan. Het bestreden besluit berust dan ook niet op een deugdelijke motivering en is derhalve genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Ook de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten in eerste aanleg. Deze kosten worden begroot op € 644,- wegens verleende rechtsbijstand. Vergoeding van proceskosten in hoger beroep blijft achterwege nu appellant deze niet heeft willen vorderen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 november 2003;

Bepaalt dat de stichting een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt de stichting in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,-.

Bepaalt dat de stichting aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 323,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in openbaar op 29 maart 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.