Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3088

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
05-5379 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitbetaling vertrekpremie. Besluit. Verzoek om terug te komen van.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5379 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2005, 04/2624 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 22 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. de Vries, werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sedert 1 december 1998 werkzaam als [naam functie] van de Universiteit van Amsterdam (hierna: UvA). Er zijn in verband met het voornemen hem te ontslaan onderhandelingen gevoerd tussen hem en de directeur van het [naam centrum] over een beëindigingsregeling, waarvan onder meer een vertrek-premie deel uitmaakte indien appellant vóór

1 januari 2003 een nieuwe functie zou hebben aanvaard. Uiteindelijk is appellant per 1 december 2002 ontslag verleend. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard.

1.2. Bij brief van 5 juni 2003 heeft de toenmalige gemachtigde van appellant zich gewend tot de directeur [naam centrum] met het verzoek om tot uitbetaling van de vertrekpremie over te gaan. Daarop is bij brief van 16 juni 2003 door de directeur [naam centrum] afwijzend beslist, onder de overweging dat geen overeenkomst tot stand was gekomen die als basis kan dienen voor het uitbetalen van een vertrekpremie.

1.3. Bij brief van 6 november 2003 heeft de huidige gemachtigde van appellant zich tot de directeur [naam centrum] gewend en onder meer verzocht om tot uitbetaling van de vertrekpremie over te gaan. Bij besluit van 13 november 2003 is appellant, onder verwijzing naar de afwijzende beslissing van 16 juni 2003, medegedeeld dat geen aanleiding bestond daarop terug te komen. Het college heeft bij besluit van 7 mei 2004 het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant betoogt dat de brief van 16 juni 2003 door het college ten onrechte is aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Uit die brief blijkt immers niet dat de directeur [naam centrum] namens het college op het verzoek van 5 juni 2003 heeft beslist en bovendien bevat die brief geen bezwaar-clausule.

3.2. De Raad erkent dat aan de brief van 16 juni 2003 de door appellant geconstateerde gebreken kleven. Ondanks deze gebreken is de Raad van oordeel dat het hier gaat om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende (de weigering van) een publiekrechtelijke rechtshandeling, en derhalve om een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Awb. In de brief is immers duidelijk en zonder enig voorbehoud vermeld dat niet tot uitbetaling van de in het kader van de beëindiging van de ambtelijke aanstelling gevraagde vertrekpremie zal worden overgegaan. Dat onvermeld is gebleven dat de beslissing namens het college is genomen, neemt niet weg dat uit de context van het verzoek en de beslissing blijkt dat zulks wel bedoeld was. Dat in de brief niet is vermeld dat daartegen bezwaar gemaakt kan worden, doet aan het besluitkarakter van de brief evenmin af.

3.3. De Raad constateert vervolgens dat tegen het aan de toenmalige gemachtigde van appellant toegezonden besluit van 16 juni 2003 indertijd geen bezwaar is gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Dit betekent voorts dat het verzoek van 6 november 2003 moet worden gezien als een verzoek om terug te komen van dit besluit.

3.4. In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

3.5. In de brief van 6 november 2003 heeft de huidige gemachtigde van appellant echter geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb naar voren gebracht. Gelet hierop komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afwijzend op het verzoek van appellant te beslissen.

3.6. De grief van appellant dat de rechtbank niet is ingegaan op twee door hem in beroep aangeduide gebreken die kleven aan het bestreden besluit treft doel, doch gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3.6.1. Dat de directeur [naam centrum] niet bevoegd was het college in de bezwaarprocedure te vertegenwoordigen kan - anders dan appellant betoogt - niet uit de in artikel 3, achttiende lid, van het Standaardmandaat Bedrijfsvoering UvA genoemde uitzondering op de beschikkingsbevoegdheid van de mandataris worden afgeleid. Appellant is naar aanleiding van zijn bezwaar gehoord door een ambtelijke commissie. De bevoegdheid van de directeur [naam centrum] om het college bij deze hoorzitting te vertegenwoordigen vloeit voort uit diens bevoegdheid om namens het college op een verzoek als hier aan de orde te beslissen. Met het college is de Raad van oordeel dat de in het hiervoor genoemde artikel 3, achttiende lid, onder meer genoemde juridische procedures externe procedures betreffen en niet de vertegenwoordiging van het college bij een interne bezwarencommissie.

3.6.2. Met de klacht dat de voorzitter van de bezwarencommissie niet onafhankelijk was, als bedoeld in artikel 12.7 van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO-NU) in verbinding met artikel 7:13 van de Awb, gaat appellant eraan voorbij dat blijkens de bewoordingen bedoeld artikel van de CAO-NU slechts ziet op de beslissing op bezwaar tegen een ontslagbesluit en niet op de behandeling van een bezwaar als het onderhavige, dat een financiële aanspraak na verleend ontslag betreft.

3.8. Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak, deels met aanvulling van gronden, dient te worden bevestigd.

3.9. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, utgesproken in het openbaar op 22 maart 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.