Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
05-5815 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijds ontslag. Verwijtbaar werkloos? Voorschot WW-uitkering op nihil gesteld. Zie ook LJN: BA3029.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 2007-04-05
Werkloosheidswet 31, geldigheid: 2007-04-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/269

Uitspraak

05/5815 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 augustus 2005, 04/1613 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: college) heeft als partij aan het geding deelgenomen.

Datum uitspraak: 5 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. Namens het college zijn verschenen, mr. A.J. Visser, thans werkzaam bij Vijverberg Juristen te ’s-Gravenhage, en A.D. Schoonderwal, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was met ingang van 1 juli 2002 aangesteld in tijdelijke dienst voor de duur van één jaar bij wijze van proef in de functie van centralist/beveiligings-medewerker bij de [naam werkgever] van de gemeente Utrecht. Deze tijdelijke aanstelling is nadien stilzwijgend verlengd voor eenzelfde periode.

2.2. Bij besluit van 9 februari 2004 is appellant met ingang van 15 maart 2004 tussentijds ontslag verleend, omdat hij niet voldeed aan de in redelijkheid aan hem te stellen verwachtingen tijdens de proeftijd. Het ontslag is gebaseerd op het gegeven dat door houding en gedrag van appellant, zowel tijdens een onderzoek naar een gelddiefstal uit de bedrijfskluis als daarna, het noodzakelijke vertrouwen ontbreekt in de goede uitoefening van de functie van centralist/beveiligingsmedewerker. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.3. Inmiddels had appellant op 11 februari 2004 een aanvraag om WW-uitkering ingediend bij het Uwv. Bij besluit van 8 april 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat, nu hij bezwaar heeft gemaakt tegen het ontslagbesluit, het recht op uitkering nog niet kan worden vastgesteld. Voorts is overwogen dat hij mogelijk verwijtbaar werkloos is geworden, omdat het vermoeden bestaat dat de tussentijdse beëindiging van de tijdelijke aanstelling aan appellant is te wijten, zodat hij waarschijnlijk geen WW-uitkering kan krijgen. Daarom heeft het Uwv de hoogte van het voorschot op nihil gesteld.

2.4. Het Uwv heeft bij besluit van 14 oktober 2004 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 april 2004 ongegrond verklaard.

2.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.6. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat het Uwv zich niet redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant geacht moet worden verwijtbaar werkloos te zijn geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WW, zodat dat het Uwv hem wel een voorschot had behoren toe te kennen.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd het volgende.

3.1. Zoals de Raad eerder heeft overwogen - CRvB 27 september 2006, LJN AY9953 - heeft de wetgever met de in artikel 31 van de WW gebruikte term ‘naar redelijkheid vast te stellen voorschot’ beoogd voor te schrijven dat de hoogte van het voorschot zo veel mogelijk het bedrag van de definitieve uitkering dient te benaderen en dat bij de vaststelling van het voorschot daarom rekening mag worden gehouden met een naar verwachting op de uitkering toe te passen maatregel. Zulks kan onder omstandigheden leiden tot een op nihil te stellen voorschot.

3.2. De Raad is van oordeel dat er in de beschikbare gegevens voldoende aanknopings-punten aanwezig zijn voor het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt van het Uwv dat verwacht kan worden dat appellant per 15 maart 2004 verwijtbaar werkloos is geworden en dat de WW-uitkering om die reden blijvend en geheel zal moeten worden geweigerd.

3.3. Onder verwijzing naar zijn heden tussen appellant en het college gewezen uitspraak, 05/3702 AW en 05/3703 AW, neemt de Raad daarbij in aanmerking dat appellant zonder deugdelijke grond zijn toestemming voor een achtergrondonderzoek heeft ingetrokken, terwijl van hem had mogen worden verwacht, mede gelet op zijn functie, dat hij zijn medewerking had verleend aan dit (nadere) onderzoek in het kader van een bedrijfs-diefstal. Voorts acht de Raad van belang de brieven die appellant voorafgaande aan zijn ontslag per 15 maart 2004 heeft verzonden aan onder meer wethouder G. en aan appellants collega B. De Raad acht de inhoud en de toonzetting van deze brieven buitenproportioneel en ver beneden het niveau dat een ambtenaar als appellant past. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant heeft kunnen begrijpen dat zijn gedrag, mede gelet op de aard van zijn functie en het feit dat hij nog in de proefperiode werkzaam was, hem door het college zwaar aangerekend zou worden.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.A. Huizer.