Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
05-4333 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negatieve beoordeling. Beoordeling op aspecten waarover geen resultaatgerichte afspraken zijn gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/144

Uitspraak

05/4333 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 juni 2005, 04/1657 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten)

Datum uitspraak: 12 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 maart 2007, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. M.M. Pasman, werkzaam bij de Stichting Univé Rechtshulp. Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door ir. P.P.N.M. Horck en mr. E. Kaufman, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Holland.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant is vanaf 1976 bij de provincie Noord-Holland werkzaam geweest, laatstelijk in de functie van beleidsmedewerker bij de afdeling [naam afdeling]. In maart 2002 heeft appellant aangegeven dat hij graag een loopbaantraject zou willen volgen met het oog op een andere functie, binnen of buiten de provincie. Appellant is vervolgens per 1 april 2002 in de gelegenheid gesteld om tot

1 februari 2003 een outplacementtraject te volgen.

1.3. Het outplacementtraject heeft niet geleid tot een andere functie voor appellant. Op 28 oktober 2003 is over appellants functioneren in de periode van januari 2003 tot oktober 2003 een beoordeling opgemaakt welke op 21 november 2003 is vastgesteld. De conclusie daarvan was dat appellant matig tot onvoldoende functioneerde. Na bezwaar is de beoordeling, onder het schrappen van een zin bij het onderdeel omgevingsgericht/ klantgericht, gehandhaafd bij besluit van 17 augustus 2004 (hierna: bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Het geschil spitst zich toe op de periode waarover het functioneren van appellant is beoordeeld en de inhoud van de beoordeling. Appellant is van mening dat hij is overvallen door de beoordeling te laten plaatsvinden over de periode januari 2003 tot oktober 2003 nu hij er niet van tevoren van op de hoogte was gesteld dat deze beoordeling zou plaatsvinden.

3.2. De Raad stelt voorop dat ten tijde in geding het Reglement Beoordelingsgesprekken 1999 (hierna: Reglement) geen bepalingen kende over de bij een beoordeling te hanteren periode en dat periodieke beoordelingen in het verleden niet gebruikelijk waren.

3.3. In artikel 3 van het Reglement is - voor zover hier van belang - bepaald dat de beoordeling geschiedt op basis van de bestanddelen van de door de medewerker vervulde organieke functie, de naar aanleiding van de bestanddelen gemaakte afspraken en de overige in het beoordelingsformulier genoemde bestanddelen. In artikel 5, eerste lid, van het Reglement is bepaald dat de beoordeling in de beoordelingslijst per bestanddeel wordt uitgedrukt in een waardering welke voorzien is van een motivering.

3.4. Onder de gedingstukken bevinden zich zogeheten P-scans, welke door de leidinggevende onder meer worden opgemaakt ter voorbereiding van voortgangsgesprekken. Daarin is ten aanzien van de afzonderlijke bestanddelen van de functie en aspecten van het functioneren steeds aangegeven dat een medewerker alleen beoordeeld mag worden op basis van resultaatgerichte afspraken in het werkplan. Deze werkplannen worden in samenspraak met de medewerker opgesteld en hebben betrekking op een heel jaar. De Raad leidt uit deze P-scans af dat gedeputeerde staten zich op het standpunt stellen dat niet beoordeeld mag worden op bestanddelen en aspecten waarover geen resultaatgerichte afspraken in het werkplan zijn gemaakt. De Raad acht de uitleg die gedeputeerde staten hierbij kennelijk hebben gegeven aan voornoemd artikel 3, dat dwingend van aard is, juist.

3.5. De toenmalig leidinggevende heeft in juni 2003 ter voorbereiding van het voortgangsgesprek met appellant, dat plaats zou vinden in augustus 2003, een dergelijke P-scan opgemaakt. Daarin is vermeld dat er in het werkplan geen resultaatgerichte afspraken zijn gemaakt over gedrag, houding, en werkwijze. Tevens is daarin vermeld dat er in het komende voortgangsgesprek ook geen afspraken hoeven te worden gemaakt omdat “alles is gericht op afscheid nemen”. Niettemin zijn bij de in geding zijnde beoordeling, gedrag, houding en werkwijze beoordeeld. De beoordeling is daarom in strijd met artikel 3 van het Reglement. Aangezien deze aspecten in dit geval niet beoordeeld mochten worden, kon naar het oordeel van de Raad (nog) geen beoordeling over het functioneren van appellant worden opgemaakt. Dat de kwaliteit en de kwantiteit van het functioneren waarover wel afspraken waren gemaakt, wel beoordeeld mochten worden, maakt dit niet anders. Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Reglement dient de beoordeling immers in de beoordelingslijst per bestanddeel te worden uitgedrukt in een waardering. Deze bepaling, welke dwingend is geformuleerd, is naar het oordeel van de Raad aldus op te vatten dat alle in de beoordelingslijst voorkomende bestanddelen dienen te worden beoordeeld.

3.6. Gezien het voorgaande komt het bestreden besluit, waarbij de beoordeling is gehandhaafd, wegens strijd met artikel 3 van het Reglement voor vernietiging in aanmerking. Een zelfde lot treft de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft, eveneens kleeft aan het besluit van

21 november 2003, en dit gebrek niet bij een nieuw besluit op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad het besluit van

21 november 2003 herroepen.

3.7. Gezien al het voorgaande komt de Raad niet toe aan de grieven over de inhoud van de beoordeling.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedeputeerde staten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, aan kosten van rechtsbijstand en € 14,40 wegens reiskosten met het openbaar vervoer, derhalve in totaal € 1.302,40.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 augustus 2004 en herroept het besluit van 21 november 2003;

Veroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.302,40, te betalen door de provincie Noord-Holland;

Bepaalt dat de provincie Noord-Holland aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 343,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

Q