Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3023

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
05-3411 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ID-baan. Eervol ontslag wegens het verlies van een vereiste voor de aanstelling. Het college had niet zonder meer van verdere herplaatsingsinspanningen mogen afzien onder verwijzing naar appellants gebrekkige taalvaardigheid. Zie LJN: BA3023.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3411 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 april 2005, 04/755 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer (hierna: college)

Datum uitspraak: 5 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de gedingen 05/3714 WW en 05/4366 WW tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen, plaatsgevonden op 22 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.F. Kiers, advocaat te Deventer, en door S. Sevük Ömür, als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Celik, werkzaam bij de gemeente Deventer. Na de behandeling ter zitting zijn de gevoegde zaken gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is met ingang van 1 januari 1999 in het kader van de zogenoemde Melkertregeling, later In- en Doorstroomregeling (hierna: ID), aangesteld in tijdelijke dienst voor de duur van één jaar bij wijze van proef in de functie van medewerker Deventer Schoon bij de sector Stads- en Dorpsbeheer, afdeling Beheer en Onderhoud Wijken van de gemeente Deventer. Aangezien appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerste is de proeftijd met de duur van één jaar verlengd. Bij besluit van 27 december 2000 is appellant per 1 januari 2001 aangesteld in vaste dienst.

1.2. Als gevolg van een reorganisatie naar aanleiding van bezuinigingen op ID-banen is de functie van appellant komen te vervallen. Bij besluit van 9 december 2003 heeft het college aan appellant eervol ontslag verleend wegens het verlies van een vereiste voor de aanstelling. Het tegen dit ontslag gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 april 2004 gegrond verklaard voor zover het de ontslaggrond en de ingangsdatum betreft. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard in die zin dat het college aan appellant met toepassing van artikel 8:4 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Deventer (ARD) met ingang van 15 januari 2004 eervol ontslag heeft verleend wegens opheffing van zijn betrekking en omdat het niet mogelijk is gebleken hem te herplaatsen in een passende functie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 april 2004 ongegrond verklaard.

3. In geschil is of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij op grond van artikel 8:4, van de ARD bevoegd was appellant eervol ontslag te verlenen en of het bestreden besluit ook overigens de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

3.1. Op grond van artikel 8:4:1, eerste lid, van de ARD kan een ontslag als hier aan de orde slechts plaatsvinden, indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.

3.2. De gedingstukken laten zien dat voor appellant met behulp van Sallcon, de uitvoerder van de gemeentelijke ID-regeling, is gezocht naar een passende functie. Uit het verhandelde ter zitting en het verslag van Sallcon leidt de Raad af dat het herplaatsings-onderzoek dat is verricht in het kader van de reorganisatie beperkt is gebleven tot één gesprek met appellant. Naar aanleiding van dit gesprek heeft Sallcon geconcludeerd dat appellant eerst zijn taalvaardigheid moet verbeteren, voordat een bemiddelingstraject ingezet kan worden. Het college heeft reeds op grond daarvan geconcludeerd dat er voor appellant géén herplaatsingsmogelijkheden zijn omdat een redelijke beheersing van de Nederlandse taal onder meer met het oog op de bediening van apparatuur en het maken van veiligheidsvoorschriften daarbij, noodzakelijk wordt geacht. Uit de verslagen van voordien gehouden functioneringsgesprekken leidt de Raad evenwel af dat appellant ondanks zijn geringe vaardigheid van de Nederlandse taal zijn werkzaamheden naar tevredenheid verrichtte. De geconstateerde communicatieproblemen hadden betrekking op het voeren van een functioneringsgesprek met de leidinggevende en gesprekken met collega’s in de schaftruimte. Het vragen naar en begrijpen van opdrachten tijdens het werk door appellant is evenwel steeds als voldoende beoordeeld. Naar het oordeel van de Raad heeft het college dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de taalvaardigheid van appellant op voorhand in de weg staat aan herplaatsing in een andere functie.

3.3. Voorts wijst de Raad erop dat het college in het kader van de onderhavige reorganisatie voor ID-medewerkers de mogelijkheid heeft gecreëerd om door te stromen naar een reguliere functie. Hiervoor gelden aanvullende functievereisten, zoals het werken met machines en apparatuur en de noodzaak te werken volgens veiligheidsvoorschriften. De ID-medewerkers kunnen in de beoogde reguliere functie geplaatst worden na het volgen van opleidingen en cursussen. Het college heeft drie ID-medewerkers van de sector Stad- en Dorpsbeheer geplaatst in een functie van waaruit zij kunnen doorstromen naar een reguliere functie. Naar het oordeel van de Raad had het college niet zonder meer van verdere herplaatsingsinspanningen mogen afzien onder verwijzing naar appellants gebrekkige taalvaardigheid, juist omdat een betrokkene als appellant in de gelegenheid kan worden gesteld tot het volgen van de vereiste opleidingen en cursussen. Het feit dat appellant in het verleden wegens privéredenen heeft geweigerd de cursus “Communicatie op de werkvloer” te volgen, acht de Raad, omdat appellant toen qua positie bij de gemeente in geheel andere omstandigheden verkeerde, op zichzelf ontoereikend om thans reeds te veronderstellen dat hij geen opleidingsmogelijkheden meer zal benutten.

3.4. In dit verband wijst de Raad nog op artikel 8:4:1, vijfde lid, van het ARD, op grond waarvan de herplaatste ambtenaar alsnog ontslag kan worden verleend indien binnen uiterlijk één jaar blijkt dat de opgedragen werkzaamheden niet passend blijken te zijn en het niet mogelijk is gebleken hem binnen een redelijke termijn te herplaatsen. Gelet hierop dient eventuele twijfel over de geschiktheid voor een reguliere functie naar het oordeel van de Raad niet reeds nu ten nadele van appellant te strekken.

3.5. Gezien het vorenstaande was het college derhalve op 15 januari 2004 niet bevoegd om appellant met toepassing van artikel 8:4 van het ARD eervol ontslag te verlenen en heeft het college het ontslagbesluit bij het bestreden besluit ten onrechte op deze grond gehandhaafd. Het hoger beroep treft dus doel. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dit besluit, voor zover aangevochten, ten onrechte in stand gelaten. Deze uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij het ontslagbesluit, met wijziging van de ingangsdatum en ontslaggrond, is gehandhaafd, moet gegrond worden verklaard. De Raad zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen en, nu de aanvankelijke ontslaggrond is teruggenomen, het ontslagbesluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) herroepen.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand en € 9,50 wegens reiskosten en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand en € 21,40 aan reiskosten, derhalve in totaal € 1.318,90.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 april 2004, voor zover het bezwaar ongegrond is verklaard en het ontslagbesluit met wijziging van de ingangsdatum en ontslaggrond, is gehandhaafd;

Herroept het ontslagbesluit van 9 december 2003;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.318,90, te betalen door de gemeente Deventer aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Deventer aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.A. Huizer.

HD

24.03