Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
05-2784 AW + 06-3212 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling en ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Herplaatsingsonderzoek.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 94, geldigheid: 2007-04-12
Besluit algemene rechtspositie politie 94, geldigheid: 2007-04-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/104

Uitspraak

05/2784 AW + 06/3212 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2005, 03/1325 (uitspraak 1) en van 3 mei 2006, 05/1596 (uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 12 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft zowel tegen uitspraak 1 als tegen uitspraak 2 hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Weeling, juridisch adviseur. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, in dienst bij de (rechtsvoorganger van de) politieregio Amsterdam-Amstelland sedert 1976, was werkzaam als medewerker Transport en Wegsleepregeling bij de dienst Materiële Ondersteuning. In februari 2000 heeft hij een herseninfarct gehad. Daarna heeft hij hervat in aangepast werk, aanvankelijk als assistent van de wacht-commandant. Naderhand heeft appellant ook zijn eigen werk als kraanmachinist weer opgepakt, zij het uiteindelijk voor niet meer dan 6 uur per dag, waarbij hij vanwege zijn beperkingen niet alleen op de kraan mocht zijn. Aan appellant is per 6 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, welke uiteindelijk is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 %.

1.2. Op 28 mei 2002 is een beoordeling over appellants functioneren in de periode van 1 mei 2001 tot en met 29 april 2002 vastgesteld. Op de punten inlevingsvermogen, taktvol optreden, zelfkritiek en samenwerking is een score A (onvoldoende) toegekend; op een aantal andere punten scoorde appellant een B (matig) en voor het overige scoorde hij C’s (voldoende) en D’s (goed). De beoordeling is na bezwaar op twee punten aangepast (van B naar C) en voor het overige gehandhaafd bij besluit van 17 februari 2003. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak 1 ongegrond verklaard.

1.3. Appellant is eind mei 2002 volledig uitgevallen en heeft zijn werk niet meer hervat. Op 1 oktober 2002 is appellant het voornemen meegedeeld om hem met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) eervol ontslag te verlenen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Appellant zou niet beschikken over de beroepshouding die vereist is voor een functie binnen het korps. Op 10 december 2002 is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een functieongeschiktheidsadvies uitgebracht. Daarbij is aangegeven dat appellant op 1 november 2002 2 jaar arbeidsongeschikt is wegens ziekte of gebrek voor de functie van kraanwagenchauffeur en dat naar verwachting ook nog zal zijn 6 maanden na die datum, omdat er een blijvende discrepantie is tussen de arbeidsbelasting in de functie van chauffeur en de gezondheidstoestand van appellant. Voorts is opgemerkt dat het herplaatsingsonderzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen: er zijn in het geheel geen herplaatsingsinspanningen verricht.

1.4. Bij besluit van 14 januari 2003 is aan appellant met ingang van 1 maart 2003 eervol ontslag verleend overeenkomstig het onder 1.3. vermelde voornemen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 april 2004. Daarin is overwogen dat appellant over ruim voldoende kennis en ervaring beschikt om zijn functie goed te kunnen uitvoeren, maar dat zijn houding en gedrag daaraan in de weg staan. Appellant wordt verweten een destructieve houding ten aanzien van de afdeling te hebben en de sfeer te bederven. De korpsbeheerder gaat er daarbij vanuit dat het doorgemaakte herseninfarct geen wezenlijke invloed heeft gehad op dit volgens hem al jaren bestaande gedrag van appellant. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak 2 ongegrond verklaard.

Beoordeling

2. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling overweegt de Raad dat die volgens zijn vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954, TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust.

2.1. De beoordeling van 28 mei 2002 vermeldt als eindconclusie dat appellant niet in staat is na herhaalde gesprekken hierover zijn gedrag bij te sturen. Deze beoordeling, die ziet op de periode van 1 mei 2001 tot en met 29 april 2002, en als negatief kan worden gekenschetst, is voorzien van een aantal zogeheten verwijzingsdocumenten, waarin scores en motivering worden onderbouwd met voorbeelden uit de praktijk. De informatie-formulieren zijn opgesteld door diverse projectleiders die met appellant hebben gewerkt en hebben alle betrekking op de periode van mei 2001 tot november of december van dat jaar. Op 10 januari 2002 is vervolgens met appellant een functioneringsgesprek gehouden door zijn teamchef en de plaatsvervangend teamchef. Blijkens het verslag van dat gesprek is met appellant een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot zijn houding en gedrag.

2.2. Over de resterende maanden van de beoordelingsperiode bevat het dossier - behoudens de melding van één incident - geen gegevens. Gelet hierop kan niet goed worden vastgesteld of en zo ja in welke mate appellant er in die periode in is geslaagd verbetering aan te brengen in zijn gedrag overeenkomstig de afspraken in januari. Nu juist over het laatste gedeelte van de beoordelingsperiode nadat afspraken waren gemaakt vrijwel elke informatie onbreekt, acht de Raad de in 1.2. opgesomde negatieve scores niet voldoende onderbouwd.

2.3. De grief dat bij de vaststelling van de beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de gezondheidstoestand van appellant slaagt niet. Bij de relevante omstandigheden die het functioneren hebben beïnvloed is immers aangegeven dat een functieongeschikt-heidsadvies is uitgereikt. Daarmee is naar het oordeel van de Raad op genoegzame wijze tot uitdrukking gebracht dat de gezondheidsklachten van appellant bekend waren. De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat die bekendheid op zichzelf bezien al zou moeten leiden tot een andere waardering van het functioneren.

2.4. Ook de grief dat appellant niet tijdig op de hoogte is gebracht van de inhoud van de informatieformulieren kan niet slagen. Uit de gedingstukken blijkt dat diverse malen met appellant is geproken over zijn functioneren, zodat niet staande kan worden gehouden dat hij niet op de hoogte was van de kritiek die er op zijn houding en gedrag bestond.

2.5. Hetgeen in 2.2. is overwogen brengt de Raad tot de conclusie dat de omstreden beoordeling niet in stand kon blijven. Uitspraak 1 strekt dan ook ten onrechte tot ongegrondverklaring van het beroep en moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad ook het besluit van 17 februari 2003 vernietigen. De korpsbeheerder moet opnieuw op het bezwaar beslissen met inachtneming van hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen.

Ontslag

3.1. De Raad heeft eerder overwogen (CRvB 25 februari 1999, LJN AK6535, TAR 1999, 71) dat onderzoek naar het bestaan van een eventuele medische oorzaak van de ongeschiktheid aangewezen is in die gevallen waarin aanwijzingen voorhanden zijn dat de ongeschiktheid van een ambtenaar (mede) voortkomt uit of samenhangt met een ziekte of gebrek of waarin gerede twijfel bestaat of het onvoldoende functioneren van een ambtenaar wordt veroorzaakt door het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van een functie vereist zijn dan wel door ziekte of gebreken. De korpsbeheerder heeft in verband met het hersenletsel van appellant onderzocht of de problemen rond houding en gedrag daaraan konden worden toegeschreven, zoals door appellant wordt beweerd, maar is aan de hand van medische rapportage tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is.

3.2. De Raad stelt echter vast dat, wat er ook zij van die rapportage en de daaruit getrokken conclusie, het ontslagbesluit is genomen op een moment waarop gezien het uitgebrachte functieongeschiktheidsadvies van het Uwv duidelijk was dat appellant in elk geval op medische gronden al lange tijd ongeschikt was voor het volledig vervullen van zijn functie als kraanwagenchauffeur en dat ook in de toekomst zou blijven. Gelet hierop stond het de korpsbeheerder niet meer vrij appellant ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid op andere dan medische gronden, maar behoorde hij uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 94, derde lid, onder c, van het Barp.

3.3. Wat betreft de in die bepaling bedoelde herplaatsingsactiviteiten merkt de Raad alvast op dat op grond van de thans beschikbare gegevens onvoldoende duidelijk is geworden dat appellant definitief ongeschikt zou zijn om zijn eigen aangepaste werk bij de politieregio te verrichten. In aanmerking genomen dat van ernstige functionerings-problemen voor het herseninfarct niet is gebleken - de toentertijd door de korpsbeheerder gesignaleerde aandachtspunten rechtvaardigen niet de conclusie van ongeschiktheid - en de beoordeling een periode betrof waarin appellant, na een ernstige ziekte, langzamer-hand weer in toenemende mate aan het werk ging in zijn eigen aangepaste werk, acht de Raad de periode na het herseninfarct nog te kort om te concluderen dat appellant op niet- medische gronden niet bij machte zou zijn dat aangepaste werk te verrichten. Daarnaast is niet gebleken dat de korpsbeheerder heeft gezocht naar een aangepaste andere functie.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat de korpsbeheerder appellant ten onrechte heeft ontslagen op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp. Dit betekent dat ook uitspraak 2 voor vernietiging in aanmerking komt, evenals het bestreden besluit van 19 april 2004. De Raad zal voorts het ontslagbesluit van 14 januari 2003 herroepen.

4. De Raad vindt in het vorenstaande aanleiding om de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 1.288,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,-, derhalve in totaal € 2.254,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt uitspraak 1;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 februari 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de korpsbeheerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Vernietigt uitspraak 2;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 april 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 14 januari 2003;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een totaal bedrag van € 2.254,- te betalen door de politieregio Amsterdam-Amstelland;

Bepaalt dat de politieregio Amsterdam-Amstelland aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 534,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.

HD

02.04

Q