Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
04/6887 WAZ en 04/6889 tot en met 04/6893 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Winst uit bedrijf is aangemerkt als inkomsten en is via een fictieve schatting op de uitkeringen in mindering gebracht.

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, geldigheid: 2007-04-13
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 58, geldigheid: 2007-04-13
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44, geldigheid: 2007-04-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6887 WAZ en 04/6889 tot en met 04/6893 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 november 2004, 03/1262 en 04/309 tot en met 04/313 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gehad op 19 januari 2007. Namens appellant is zijn voornoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.M.G.M.W. Heijnen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was sinds 1976 werkzaam als zelfstandige in zijn gemengde agrarisch bedrijf met hoofdzakelijk vee en een deel landbouw (gras en maïs). Per 10 juni 1998 heeft appellant zijn werkzaamheden teruggebracht en zich met psychische klachten arbeidsongeschikt gemeld. Met ingang van 9 juni 1999 heeft het Uwv appellant uitkeringen toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO, appellant was vrijwillig verzekerd) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

Appellant is zijn bedrijf deels blijven voortzetten en heeft daarmee winst gemaakt. Het Uwv heeft deze winst aangemerkt als inkomsten in de zin van de WAO en de WAZ en heeft deze op grond van het bepaalde in de artikelen 44 WAO en 58 WAZ via een zogenoemde fictieve schatting op de uitkeringen in mindering gebracht. Dit heeft erin geresulteerd dat de uitkeringen van 9 juni 1999 tot en met 31 december 1999 zijn uitbetaald naar een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en over de jaren 2000 en 2001 niet tot uitbetaling zijn gekomen omdat de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over die jaren naar het oordeel van het Uwv minder bedroeg dan 15%. Van 1 januari 2005 tot en met 5 juni 2005 zijn de uitkeringen uitbetaald naar een naar mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% en per 9 juni 2002 is de AAW/WAZ uitkering van appellant herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Voor zover uit deze besluiten is voortgevloeid dat het Uwv onverschuldigd WAO/WAZ uitkering aan appellant heeft betaald, is deze uitkering van appellant teruggevorderd.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen zeven besluiten van het Uwv. Bij de weergave van die besluiten hanteert de Raad dezelfde nummering als de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

Bij beroepschrift van 29 april 2003 heeft appellant beroep ingesteld tegen de volgende besluiten:

-bij besluit van 20 maart 2003 heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd om de uitkeringen van appellant over het jaar 2000 niet uit te betalen; (besluit I) bij primair besluit van 23 oktober 2002 heeft het Uwv de over 2000 onverschuldigd betaalde uitkering van appellant teruggevorderd; (besluit II)

Op 22 december 2003 heeft het Uwv een vijftal besluiten genomen, waartegen appellant bij beroepschrift van 28 januari 2004 beroep heeft ingesteld:

- handhaving van het primaire besluit om niet in het voordeel van appellant terug te komen op een besluit van 6 mei 2003, inhoudende de gedeeltelijke uitbetaling van de uitkering van appellant over de relevante periode in het jaar 1999; (besluit III)

- het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van appellant tegen een brief van 7 mei 2003 van het Uwv; (besluit IV)

- handhaving van het primaire besluit om de uitkering van appellant over het jaar 2001 niet uit te betalen; (besluit V)

- handhaving van het primaire besluit om de over 2001 onverschuldigd aan appellant betaalde uitkering van hem terug te vorderen; (besluit VI)

- het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van appellant tegen een brief van 8 mei 2003. (besluit VII)

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit II niet-ontvankelijk en het beroep tegen de andere besluiten ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar hetgeen eerder in de procedure naar voren is gebracht, vooral doen aanvoeren dat het Uwv bij de bepaling van het relevante inkomen over de jaren 1999 tot en met 2001 ten onrechte de gehele fiscale winst in aanmerking heeft genomen. Appellant meent dat er bijzondere omstandigheden zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat de fiscale winst bepalend is. Appellant wijst op een rapportage d.d. 24 augustus 2004 van de arbeidsdeskundige Th.M.M. Doedée dat de basis is voor de berekening over het jaar 2002 en heeft geleid tot een mate van arbeids-ongeschiktheid van 55 tot 65% en op een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige A.A.J.M. Kamp van 9 juni 2005 op basis waarvan zijn uitkeringen per 9 juni 2002 zijn herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant stelt dat delen van zijn fiscale winst als zogenoemde “stakingswinst” moeten worden uitgezonderd bij de berekening van zijn inkomen. Het gaat daarbij om inkomsten uit het verleasen van zijn melkquotum en de opbrengsten uit de afbouw van de veestapel.

Appellant stelt voorts dat het Uwv in strijd met zijn rechtszekerheid op basis van het rapport d.d. 31 oktober 2002 voor de jaren 1999 tot en met 2001 in voor hem negatieve zin is teruggekomen op het eerder medio 1999 voor hem vastgestelde maatmaninkomen.

Deze gronden richten zich volgens appellant op de besluiten I en V. Vernietiging van die besluiten brengt tevens met zich dat de daarop gebaseerde terugvorderings- en invorderingsbesluiten (II, VI en VII) niet in stand kunnen blijven.

Gelet op de aangegeven argumenten kon het Uwv naar de mening van appellant bij het aan besluit III ten grondslag liggende primaire besluit in redelijkheid niet weigeren ten gunste van hem terug te komen op de kortingsbeslissing voor het jaar 1999.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad zal allereerst beoordelen, in het licht van wat namens appellant in beroep en hoger beroep is aangevoerd, of de rechtbank terecht de besluiten I en V in stand heeft gelaten. Dit betreft de besluiten tot korting van de inkomsten over de jaren 2000 en 2001.

Voor het jaar 2000 is de bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet blijkens zijn rapport van 31 oktober 2002 voor de berekening van het zogenoemde maatmanloon uitgegaan van het op basis van de CBS-totaalindex geïndexeerde jaarinkomen van appellant. Uitgangspunt daarvoor zijn de fiscale verdiensten over de drie jaren voorafgaande aan het jaar waarin appellant arbeidsongeschikt is geworden, dus de jaren 1995 tot en met 1997. Het maatmaninkomen is aldus vastgesteld op ƒ 27.747,--.

Blijkens zijn brief aan appellant van 6 mei 2003 heeft de arbeidsdeskundige A.A.G. Lammers op dezelfde wijze voor het jaar 2001 het maatmaninkomen van appellant vastgesteld op € 13.151,93.

Naar het oordeel van de Raad hebben de (bezwaar)arbeidsdeskundigen aldus op juiste wijze toepassing gegeven aan de relevante wettelijke bepalingen, in het bijzonder aan het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Zowel in artikel 4, tweede lid, sub a van het Schattingsbesluit zoals dat van kracht was voor 26 juli 2000, als in artikel 10, vierde lid, sub a van het Schattingsbesluit zoals dat sedertdien gold, is bepaald dat als bij de schatting wordt uitgegaan van de feitelijke inkomsten uit arbeid, kan worden geabstraheerd van een eventueel verschil in gewerkte uren voor en na het ontstaan van de beperkingen tot het verrichten van arbeid. (Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, versies 05-08-1994, Stb. 596 en 08-07-2000, Stb. 307)

Dat de arbeidsdeskundige bij de berekening over het jaar 1999 is uitgegaan van een uurloonvergelijking kan hier niet aan afdoen, en brengt ook niet met zich mee dat het Uwv in strijd handelt met de rechtszekerheid door over de jaren 2000 en 2001 op juiste wijze de wettelijke bepalingen toe te passen.

Bij de berekening van de verdiensten in de jaren 2000 en 2001 zijn de genoemde arbeidsdeskundigen uitgegaan van de fiscale winst van appellant zoals die blijkt uit de belastingaangiftes en de jaarstukken. Deze bevinden zich onder de gedingstukken. Daaruit blijkt dat de inkomsten uit het leasen van het melkquotum en de verkoop van vee in overwegende mate hebben bijgedragen aan de omvang van de netto winst over deze jaren.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is behoudens bijzondere omstandigheden de in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze bepalend voor de vraag of bepaalde inkomsten moet worden beschouwd als inkomsten uit arbeid, dan wel als inkomsten uit vermogen of anderszins. In casu heeft appellant ervoor gekozen genoemde inkomsten bij de fiscus als inkomsten uit arbeid op te geven.

Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat deze inkomsten in het kader van de uitvoering van de AAW en de WAZ niet als inkomsten uit arbeid aangemerkt zouden moeten worden. Hieraan doet, anders dan appellant meent, niet af dat arbeidsinbreng in de van belang zijnde jaren een beperkte omvang heeft gehad. Dat enkele gegeven maakt, anders dan appellant stelt, niet dat het verleasen van het melkquotum en/of de verkoop van de veestapel in afwijking van de fiscale aangiften, als opbrengsten uit vermogen moeten worden beschouwd. Dat de arbeidsdeskundige Th.M.M. Doedée in zijn rapport van 24 augustus 2004 een deel van de winst buiten beschouwing lijkt te laten door dit als stakingswinst te beschouwen kan daaraan niet afdoen. De betreffende rapportage heeft in de eerste plaats geen betrekking op de perioden die in geding zijn, en bovendien blijkt uit het genoemde rapport dat voor de berekening van de inkomsten van appellant over 2002 wel uit is gegaan van de volledige winst van appellante, dus inclusief de opbrengsten uit de verkoop van vee. Overigens heeft de vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting van de rechtbank afstand genomen van het genoemde onderdeel van het rapport van de arbeidsdeskundige.

Dit brengt de Raad tot de slotsom dat het Uwv voor de jaren 2000 en 2001 zowel het maatmanloon als de verdiensten van appellant op juiste wijze heeft berekend, zodat de grieven van appellant tegen de aangevallen uitspraak, waar het betreft de besluiten I en V geen doel treffen.

Gelet op deze beslissingen, en nu appellant in hoger beroep geen nieuwe grieven heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak omtrent de overige bestreden beslissingen, en de Raad zich met overneming van de betreffende motivering geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank over die besluiten, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.

(get.) D.J. van der Vos

(get.) W.R. de Vries.

JK/1932007