Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
05-7396 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhouding van bezoldiging. Betrokkene heeft zich niet gehouden aan de voor hem geldende voorschriften betreffende ziekmelding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7396 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2005, 04/6484 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 29 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2007. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.R. van Waveren Hogervorst, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, personenvervoerder op de bus, was vanaf 31 oktober 2003 in verband met ziekte belast met vervangende werkzaamheden. In de periode van 22 december 2003 tot en met 31 december 2003 is hij zonder bericht niet op het werk verschenen. Naar aanleiding daarvan heeft het college appellant een berisping gegeven. Verder is over de niet gewerkte uren de bezoldiging ingehouden. Na bezwaar zijn deze beslissingen gehandhaafd.

2. Het door appellant tegen de (handhaving van de) inhouding van de bezoldiging gerichte beroep is in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zich hier de situatie voordoet als bedoeld in artikel 453, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (hierna: ARA): als gevolg van verwijtbaar handelen heeft appellant zijn werk verzuimd. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant door ziekte verhinderd was zijn (vervangend) werk te verrichten en in ieder geval heeft appellant zich niet gehouden aan de voor hem geldende voorschriften betreffende ziekmelding.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep in de eerste plaats gesteld dat hij zich niet kan verenigen met de overweging van de rechtbank dat hem de straf is opgelegd met toepassing van artikel 453, eerste lid, van het ARA. Verder betoogt hij dat hij zich heeft ziek gemeld bij de arbo-arts, in de (onjuiste) veronderstelling verkerend dat dit voldoende zou zijn en dat een ziekmelding bij het college niet noodzakelijk was. Het college was immers reeds bekend met zijn ziekte.

3.2. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad kan zich geheel verenigen met de beslissing en de overwegingen van de rechtbank en hij ziet hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, geen doel treffen.

Appellants eerste stelling berust op een onjuiste lezing van de uitspraak. De rechtbank spreekt met betrekking tot de inhouding van bezoldiging niet van een straf; daarvan is ook geen sprake.

Appellants betoog over de ziekmelding miskent de duidelijke verplichting om melding te doen bij de leidinggevende. Van die verplichting was aan appellant bekendheid gegeven door verspreiding van de brochure “Regels bij ziekte”. Voorts is uit geen enkel gegeven gebleken dat de ziekmelding bij de arbo-arts tot de conclusie heeft geleid dat appellant arbeidsongeschikt was.

5. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.J. Rentmeester.