Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2983

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
06/1673 WW + 06/1674 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering en bovenwettelijke uitkering. Onvoldoende sollicitatieactiviteit? Is sanctie te zwaar?

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/162

Uitspraak

06/1673 WW

06/1674 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 februari 2006, 05/1891 en 05/1892

(hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

2. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).

Datum uitspraak: 4 april 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.W.M. van den Heiligenberg, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv en de Minister hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere informatie verstrekt.

De [naam college]college te Hengelo heeft de Raad desgevraagd te kennen gegeven niet te willen deelnemen aan het geding tussen appellant en het Uwv.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heiligenberg, voornoemd. Het Uwv en de Minister zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW), het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BBWO) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

2.1. Bij besluit van 16 juni 2004 heeft het Uwv appellant een uitkering ingevolge de WW toegekend met ingang van 1 januari 2004, waarbij op die uitkering een korting is toegepast van 20% over 16 weken, omdat appellant vanaf het moment waarop hij wist dat hij werkloos zou worden (hierna: periode 1) geen sollicitatieactiviteiten had ondernomen.

Omdat appellant in de periode van 3 mei 2004 tot 7 juni 2004 (hierna: periode 2) volgens zijn opgave op het werkbriefje geen sollicitaties heeft verricht, heeft het Uwv bij besluit van 8 juli 2004 de WW-uitkering van appellant met ingang van 7 juni 2004 gekort met 30% over 16 weken.

Het Uwv heeft appellant bij brief van 16 september 2004 op de hoogte gesteld van een onderzoek naar zijn sollicitatiegedrag in de periode van 5 juli 2004 tot en met

5 september 2004. Dit heeft geleid tot een bij besluit van 6 september 2004 opgelegde korting van 30% over 16 weken wegens het in de periode van 2 augustus 2004 tot

6 september 2004 (hierna: periode 3) niet naleven door appellant van de op hem rustende sollicitatieverplichting.

Bij besluit van 10 februari 2005 heeft het Uwv met ingang van 3 januari 2005 de

WW-uitkering van appellant blijvend geheel geweigerd omdat appellant in de periode van 6 december 2004 tot 3 januari 2005 (hierna: periode 4) wederom niet had voldaan aan zijn sollicitatieverplichting.

Bij besluiten van dezelfde data heeft de Minister identieke besluiten genomen met betrekking tot de BBWO-uitkering.

2.2. Het Uwv en de Minister hebben bij besluiten van respectievelijk 13 juni 2005 (hierna: bestreden besluit 1) en 22 juni 2005 (hierna: bestreden besluit 2) de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 10 februari 2005 ongegrond verklaard. Daarbij is het standpunt ingenomen dat appellant binnen 12 maanden vier keer niet heeft voldaan aan zijn sollicitatieplicht, namelijk in periode 2, in de periode van 5 juli 2004 tot 2 augustus 2004 en in de periodes 3 en 4, en dat het Maatregelenbesluit UWV voorschrijft dat in dat geval de uitkering blijvend geheel geweigerd moet worden.

3. De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellant in het tijdsbestek van 12 maanden minimaal driemaal niet heeft voldaan aan zijn sollicitatieplicht, zodat het Uwv en de Minister op goede gronden de WW- en de BBWO-uitkering blijvend geheel hebben geweigerd. De rechtbank heeft daarbij in het midden gelaten of appellant in de periode van 5 juli 2004 tot 2 augustus 2004 aan zijn sollicitatieplicht heeft voldaan, omdat daaromtrent geen kortingsbesluiten zijn genomen. Voor het aannemen van dringende redenen in de zin van artikel 27, zesde lid, van de WW zag de rechtbank geen aanleiding.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de periode van 5 juli 2004 tot 2 augustus 2004 terecht buiten beschouwing heeft gelaten, nu zijn sollicitatiegedrag in die periode niet heeft geleid tot een korting op zijn uitkeringen. Verder heeft hij aangevoerd de maatregel van een blijvend gehele weigering onevenredig te achten, omdat hij, hoewel hij niet steeds vier sollicitaties per vier weken heeft verricht, zijn sollicitatieverplichting niet geheel heeft veronachtzaamd. Appellant heeft gepleit voor toepassing van een hardheidsclausule, waarbij hij ook heeft gewezen op zijn persoonlijke en psychische omstandigheden en op het feit dat het Uwv nalatig is geweest en hem in financiële moeilijkheden heeft gebracht door pas in juni 2004 tot toekenning van de WW-uitkering over te gaan waarop hij al met ingang van 1 januari 2004 recht had.

5. In hoger beroep ligt de vraag voor of de Raad de rechtbank volgt in haar oordeel over de bestreden besluiten. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt voorop dat de door het Uwv en de Minister met betrekking tot de periodes 1, 2 en 3 opgelegde maatregelen in rechte onaantastbaar zijn en thans als gegeven zullen worden beschouwd. Verder stelt de Raad vast dat in hoger beroep slechts in geschil is of het Uwv en de Minister naar aanleiding van de vaststelling dat appellant in periode 4 de uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voortvloeiende sollicitatieverplichting niet heeft nageleefd door niet steeds vier sollicitatieactiviteiten per vier weken te verrichten, terecht hebben besloten tot een blijvend gehele weigering van diens WW- en BBWO-uitkering met ingang van 3 januari 2005.

5.2. In artikel 27, derde lid, van de WW, voor zover hier van belang, is bepaald dat, indien de werknemer de hem op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW opgelegde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigert. In artikel 27, vierde lid, van de WW is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In het Maatregelenbesluit UWV zijn nadere regels gegeven met betrekking tot het derde en het vierde lid.

Ten aanzien van het niet nakomen van de sollicitatieverplichting, welke als een verplichting van de vierde categorie, ten eerste, van de WW is aangemerkt, is in artikel 6, eerste lid, van het Maatregelenbesluit UWV bepaald dat de hoogte en de duur van de maatregel 20% gedurende 16 weken bedraagt. Artikel 9 van het Maatregelenbesluit UWV bevat recidivebepalingen. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat, indien aan de verzekerde schriftelijk bekend is gemaakt dat hem wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting een maatregel is opgelegd, en hij binnen twee jaren na de dag van deze bekendmaking opnieuw dezelfde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, het percentage van de maatregel met de helft daarvan wordt verhoogd. In artikel 9, tweede lid, van het Maatregelenbesluit UWV is bepaald dat, indien na de schriftelijke bekendmaking dat een maatregel is opgelegd ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, opgenomen in de vierde categorie, ten eerste, van de WW, dezelfde verplichting binnen 12 maanden voor de derde maal niet is nagekomen, de gehele uitkering over de resterende duur wordt geweigerd.

5.3. De Raad stelt het tijdstip van de schriftelijke bekendmaking dat een maatregel is opgelegd ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de sollicitatieverplichting vast op 16 juni 2004 en zal bezien of appellant met het niet nakomen van de sollicitatieverplichting in periode 4 de genoemde verplichting binnen 12 maanden na 16 juni 2004 voor de derde maal niet is nagekomen. Daarbij neemt de Raad uitsluitend door het Uwv beoordeelde perioden in aanmerking. Omdat de periode van 5 juli 2004 tot 2 augustus 2004 door het Uwv niet is beoordeeld, moet die periode buiten beschouwing worden gelaten, zoals ook de rechtbank terecht heeft gedaan.

5.4. Wat betreft de door het Uwv wel beoordeelde perioden 2, 3 en 4 staat vast dat appellant de sollicitatieverplichting niet is nagekomen. Ten aanzien van periode 4 merkt de Raad nog op dat ook het verrichten van twee sollicitaties in plaats van vier moet worden gezien als het niet of niet behoorlijk nakomen van de sollicitatieverplichting als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de WW. De Raad ziet, daargelaten dat de WW geen hardheidsclausule bevat, in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de overtreding in periode 4 appellant niet volledig kan worden toegerekend. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onevenredige hardheid dan wel van dringende redenen die nopen tot het afzien van het opleggen van een maatregel. De Raad stelt echter vast dat periode 2 geheel vóór 16 juni 2004 lag en daarom niet kon worden betrokken in het antwoord op de vraag of appellant na 16 juni 2004 binnen 12 maanden voor de derde maal dezelfde verplichting niet is nagekomen.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat de overtreding in periode 4 niet de derde overtreding binnen 12 maanden na 16 juni 2004 was. Gelet hierop was niet voldaan aan de in artikel 9, tweede lid, van het Maatregelenbesluit UWV gestelde voorwaarde voor blijvend gehele weigering van appellants uitkeringen met ingang van 3 januari 2005. Het Uwv en de Minister hadden met toepassing van artikel 9, eerste lid, van het Maatregelenbesluit UWV een maatregel van 30% over 16 weken behoren op te leggen. De aangevallen uitspraak, waarbij de bestreden besluiten in stand zijn gelaten, komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

6. De Raad ziet aanleiding het Uwv en de Minister ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep begroot op

€ 644,--, in totaal derhalve op € 1.288,-- .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ieder voor een bedrag van € 644,-- in de proceskosten van appellant, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen, respectievelijk de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Staat der Nederlanden ieder € 71,--, zijnde de helft van het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- (€ 37,-- + € 105,--), aan hem vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en

B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.