Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
06-2050 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar gedrag? Eerder gewaarschuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2050 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 februari 2006, 05/2924 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Heek, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Grinsven, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant was sinds 25 maart 1999 als afroep-chauffeur werkzaam bij [naam werkgever] B.V., gevestigd te Breda (hierna: de werkgever). Bij brief van 14 januari 2005 heeft de werkgever appellant op staande voet ontslagen, omdat hij een ander bedrag op zijn dagstaat had vermeld dan hij met een klant had afgerekend en omdat hij een zieke klant langer dan een half uur heeft laten wachten in verband met een pauze die hij op dat moment had opgenomen. Nadat appellant de nietigheid van dat ontslag had ingeroepen, heeft de kantonrechter bij beschikking van 23 februari 2005 de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever met ingang van 1 maart 2005 ontbonden.

2.2. Op 14 maart 2005 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 20 april 2005 heeft het Uwv de uitkering aan appellant bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd. Daartoe is overwogen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het Uwv de maatregel bij besluit van 7 juli 2005 (het bestreden besluit) gehandhaafd, waarbij is overwogen dat appellant zijn functioneren, ondanks herhaalde waarschuwingen niet, althans onvoldoende, heeft aangepast en dat het ontslag derhalve het voorzienbare gevolg was van zijn (jegens zijn werkgever) verwijtbare gedragingen. Daarbij is niet gebleken van feiten of omstandigheden om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen of om af te zien van het opleggen van een maatregel.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat uit de gedingstukken is gebleken dat appellant in het verleden reeds eerder in conflict is geweest met zijn werkgever over betalingskwesties en dat hij daarvoor duidelijke waarschuwingen heeft gehad, waaronder een laatste waarschuwing bij brief van 1 juli 2004. Ten aanzien van een betalingskwestie op

7 januari 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant hierover uit eigen beweging volledige openheid van zaken had dienen te geven en dat hij er zich van bewust had dienen te zijn dat de werkgever hem dit voorval zou aanrekenen. Ook ten aanzien van de gebeurtenis op 12 januari 2005 waarbij appellant een klant, die een bestraling had ondergaan, meer dan een half uur heeft laten wachten, heeft de rechtbank geoordeeld dat voorzienbaar was dat de werkgever hem deze handelwijze zou aanrekenen. Op basis van deze overwegingen heeft de rechtbank geoordeeld dat de handelwijze van appellant debet is geweest aan de uiteindelijke beëindiging van de dienstbetrekking en dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelen ook tot dit gevolg zou leiden.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat hij steeds op de waarschuwingen van zijn werkgever heeft gereageerd en dat daarmee de kwesties waren opgelost. Met betrekking tot de hem verweten gedragingen op 7 en 12 januari 2005 heeft hij verwezen naar de door hem gegeven verklaringen voor zijn handelwijze. Op basis daarvan stelt hij zich op het standpunt dat hem van zijn gedrag geen verwijt kan worden gemaakt en dat het voor hem niet voorzienbaar was dat hiervan ontslag het gevolg zou zijn.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en of het Uwv in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

5.2. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend en hij stelt zich daarbij achter de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

5.3. De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat de geschilpunten met zijn werkgever over de eerdere betalingskwesties zouden zijn opgelost, omdat hij hierop naar zijn werkgever toe heeft gereageerd. Immers, na een eerdere waarschuwing is in de brief van de werkgever van 1 juli 2004 expliciet gesteld dat appellant ervoor wordt gewaarschuwd dat hij, indien hij nog éénmaal zonder toestemming een ander bedrag, hoe klein dit ook is, dan hetgeen de taximeter of de terminal aangeeft met de klant afrekent, er ontslag op staande voet zal volgen. Gelet op deze waarschuwing had appellant zich er van bewust dienen te zijn dat hij zich wat betreft geldkwesties in een kwetsbare positie bevond. Uit het voorval op 7 januari 2005, waarop hij door zijn werkgever is aangesproken, blijkt genoegzaam duidelijk dat hij niet op een zorgvuldige wijze met de verantwoording van het door hem ontvangen bedrag voor een taxirit is omgegaan nu hij

-nadat hij door zijn werkgever was aangesproken- hierover pas op 11 januari 2005 verantwoording heeft afgelegd, waarbij hij achteraf de klant heeft benaderd om het juiste bedrag te kunnen vermelden. Hetgeen appellant ter verklaring van zijn gedrag heeft aangevoerd, kan de Raad niet tot het oordeel leiden dat dit gedrag hem niet kan worden verweten. In de aangevoerde omstandigheden ziet de Raad evenmin grond om te oordelen dat het gedrag appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en

B.I. Klaassens als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) A.J. Rentmeester.