Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
06-2416 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbaarheid gezien gezondheidstoestand?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2416 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2006, 05/5121 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft F.C. van Veen, jurist te Voorburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007, waar appellant -met bericht- niet is verschenen, en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Appellant was met ingang van 9 juli 2001 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam als industrieel spuiter bij [naam werkgever] B.V. te Schiedam (hierna: werkgever). Op 4 augustus 2004 is hij wegens ziekte (schouderklachten) uitgevallen voor zijn werk. Het dienstverband is, na daartoe verkregen toestemming van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), per 1 december 2004 beëindigd. Aan appellant is vervolgens tot 27 januari 2005 een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend. Appellant heeft in verband met per die datum ontstane werkloosheid een WW-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft bij besluit van 31 januari 2005 appellant een WW-uitkering geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Het tegen dat besluit gerichte bezwaar is bij besluit van 29 april 2005 gegrond verklaard op de grond dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid. Met een besluit van 26 mei 2005 heeft het Uwv opnieuw geweigerd aan appellant met ingang van 27 januari 2005 een WW-uitkering toe te kennen, op de grond dat hij verwijtbaar werkloos is geworden, door mee te werken aan de beëindiging van zijn dienstverband, terwijl voortzetting van dat dienstverband van hem had kunnen worden gevergd. Appellant heeft

op 27 juni 2005 tegen dit besluit bezwaar gemaakt, dat door het Uwv bij beslissing op bezwaar van 23 september 2005 ongegrond is verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 23 september 2005 ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden.

5.1. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt het volgende.

5.2. Ambtshalve overweegt de Raad dat het Uwv de besluitvorming naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 31 januari 2005 gemaakte bezwaar heeft gesplitst. Bij het besluit van 29 april 2005 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en bij het besluit van 26 mei 2005 heeft hij appellant wederom uitkering ingevolge de WW geweigerd. Van een voltooide besluit-vorming in bezwaar was derhalve eerst sprake nadat het Uwv het besluit van 26 mei 2005 had ge-nomen. Het besluit van 29 april 2005 vormt aldus tezamen met het besluit van 26 mei 2005 de be-slissing op bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2005 (de besluiten van 29 april 2005 en 26 mei 2005 zullen hierna worden aangeduid als het bestreden besluit). Het Uwv had derhalve het be-zwaarschrift van 27

juni 2005 tegen het besluit van 26 mei 2005 als beroepschrift moeten doorzenden naar de recht-bank. Nu het Uwv dit niet heeft gedaan en bij het besluit van 23 september 2005, daartoe onbe-voegd, op dit bezwaarschrift heeft beslist, had de rechtbank dit besluit moeten vernietigen en het bezwaar van 27 juni 2005 als beroepschrift in behandeling moeten nemen. Aangezien de rechtbank niet in deze zin heeft gehandeld en besloten, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.

5.3. Aangezien het bestreden besluit, nu de besluitvorming gesplitst is, genomen is in strijd met ar-tikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), komt het voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit al of niet in stand kunnen worden gelaten.

5.4. De Raad is van oordeel dat, anders dan door appellant is gesteld, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voldoende onderzoek heeft verricht naar de van belang zijnde feiten en omstandigheden, en dat artikel 24, derde lid, van de WW, welk artikellid ook is omschreven in een door het Uwv aan appellant verstrekte folder, toepassing mist. De Raad verwijst kortheidshalve naar hetgeen de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. De Raad onderschrijft de desbetreffende overwegingen.

5.5. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden, indien de dienstbetrekking eindigt of is geëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet, ook bij een ontslag waarbij medische redenen een rol spelen, aan de hand van concrete omstandigheden van het geval worden vastgesteld of aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren zijn verbonden dat die voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer kan worden gevergd.

5.6. Het is de Raad op grond van de beschikbare gegevens, waaronder de door de werkgever in het kader van de aanvraag van een ontslagvergunning aan het CWI

verstuurde brieven van 10 en 23 augustus 2004, gebleken dat appellant, anders dan hij in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft ingestemd met en meegewerkt heeft aan de beëindiging van zijn dienstverband. De Raad gaat er op grond van deze gegevens van uit dat appellant op 4 augustus 2004 zijn werkgever heeft meegedeeld dat zijn gezondheid het niet langer toeliet om de hem opgedragen werkzaamheden nog te kunnen uitvoeren en dat er geen uitzicht op verbetering van zijn lichamelijke situatie bestond als hij dit werk nog langer zou doen. De Raad stelt vast dat appellant geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de werkgever om toestemming voor het opzeggen van de arbeidsverhouding met hem, naar eigen zeggen omdat hij daar het nut niet van inzag, omdat er volgens hem bij de werkgever geen passende arbeid voor hem was.

5.7. Derhalve ligt de vraag voor of appellant verwijtbaar heeft ingestemd met zijn ontslag. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend, en overweegt daartoe het volgende.

5.8. Tussen partijen staat vast, en ook de Raad gaat er van uit, dat het werk van industrieel spuiter, zoals appellant dat verrichte, arbeid is, waarbij boven schouderhoogte wordt gewerkt. Tevens staat vast dat, voordat appellant op 4 augustus 2004 met schouderklachten uitviel voor zijn werk, hij in 2003 meermalen om dezelfde reden voor dit werk is uitgevallen, en zich onder behandeling van een fysiotherapeut heeft gesteld. Appellant ziet in de herhaalde uitval steun voor zijn standpunt dat voortzetting van zijn werkzaamheden zou leiden tot schade van zijn gezondheid. Dit is ook de strekking van de door appellant in het geding gebrachte brief van 14 september 2005 van de hem destijds behandelend fysiotherapeut T.J. Galema, waarin is vermeld: “Ik ben er van overtuigd geraakt dat de heer Klootwijk in samenwerking met mij er alles aan gedaan heeft om zijn oude werk weer te hervatten, maar dat dit er gewoon niet in zat.” Het Uwv stelt daar tegenover dat appellant tussen de laatste ziekmelding in september 2003 en de daarop volgende ziekmelding op 4 augustus 2004 geruime tijd zijn werk heeft kunnen doen, en dat appellant voorafgaand aan zijn ontslag -naar tussen partijen vast staat- niet door zijn huisarts of fysiotherapeut is geadviseerd om te stoppen met zijn werk als industrieel spuiter. Ook is door het Uwv gewezen op het oordeel van de bedrijfsarts, die appellant na zijn ziekmelding op 4 augustus 2004 geschikt achtte voor licht werk met een goede prognose (meerdere weken) voor zijn oude werk, en het door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven oordeel van de verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dat ten tijde van het ontslag aan de arbeidsongeschiktheid van appellant binnen afzienbare tijd een einde zou komen, en dat werkhervatting niet zou leiden tot schade van zijn gezondheid.

5.9. De Raad is op grond van deze gegevens van oordeel dat het standpunt van het Uwv dat van appellant gevergd kon worden dat hij in dienst bleef van zijn werkgever, voor juist moet worden gehouden. Het andersluidende standpunt van appellant is naar het oordeel van de Raad niet voldoende met medische stukken onderbouwd. De Raad is, met het Uwv, van oordeel dat appellant na 4 augustus 2004, de datum van zijn ziekmelding zijn herstel had kunnen afwachten en dan had kunnen omzien naar ander werk zonder toen al in te stemmen met beëindiging van zijn dienstverband.

5.10. De Raad is derhalve van oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. De Raad ziet geen reden te oordelen dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Derhalve heeft het Uwv, toepassing gevend aan artikel 27, eerste lid, van de WW, terecht de maatregel van blijvend gehele weigering van de WW-uitkering opgelegd.

6. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten, nu de gemachtigde van appellant desgevraagd ter zitting van de rechtbank heeft aangegeven voor appellant bij wijze van vriendendienst als zijn gemachtigde op te treden. De Raad gaat er derhalve van uit dat appellant redelijkerwijs geen kosten heeft moeten maken ten aanzien van de hem verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen het besluit van 23 september 2005 en het bestreden besluit gegrond;

Vernietigt het besluit van 23 september 2005 en het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,--

(€ 37,-- + € 105,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en

B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.