Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
06-2607 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Onvoldoende gesolliciteerd. Verwijtbaarheid gezien psychische klachten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2607 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 maart 2006, 05/427 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Zillinger Molenaar, advocaat te Heerenveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na daartoe door appellante desgevraagd verleende toestemming heeft het Uwv medische gegevens van appellante opgevraagd en een nader rapport van een bezwaarverzekeringsarts overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen feiten en omstandigheden.

2.1. Appellante was werkzaam sinds 1983 als kapster in dienst van [naam werkgever] (hierna: de werkgever), laatstelijk voor 14 uur per week. In mei 2003 is de echtgenoot van appellante bij haar weggegaan en heeft zij, teneinde met haar twee kinderen in haar woning te kunnen blijven wonen, de werkgever gevraagd met haar een pro forma arbeidsovereenkomst voor 35 uur per week aan te gaan, terwijl zij in werkelijkheid niet meer dan 20 uur per week voor de werkgever wilde gaan werken. De werkgever was bereid haar een arbeidsovereenkomst voor 35 uur per week aan te bieden, maar dan diende zij dat aantal uren wel feitelijk te werken. Appellante kon zich, gelet op de zorg voor haar kinderen, niet in dit aanbod vinden en heeft haar ongenoegen over het feit dat de werkgever niet met haar voorstel wilde instemmen op zeer duidelijke wijze aan de werkgever kenbaar gemaakt, waarbij zij -in haar bewoordingen- de werkgever indringend heeft aangesproken op zijn christelijke naastenliefde die hij, nu zij in moeilijkheden zit, zou moeten tonen. Na deze woordenwisseling heeft appellante niet meer gewerkt. Na enige tijd is, op voorstel van de Arbodienst van de werkgever, een mediation traject gestart. Tijdens het tweede gesprek tussen appellante en de werkgever onder leiding van een mediator bleek dat appellante niet verder wilde met de werkgever en zijn appellante en de werkgever beëindiging van de arbeidsovereenkomst door tussenkomst van de kantonrechter overeengekomen, met dien verstande dat appellante ruim de tijd zal worden geboden ander werk te vinden. Bij beschikking van 21 november 2003 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2004 ontbonden.

2.2. Appellante heeft vervolgens een WW-uitkering aangevraagd, waarbij zij heeft aangegeven dat er een arbeidsconflict was omdat de werkgever en zij niet uit de uren konden komen en zij, als ze was teruggegaan, had moeten doen wat de werkgever haar zou zeggen. Het Uwv heeft naar aanleiding hiervan de werkgever en appellante bevraagd en daaruit kwam een verschil van inzicht naar voren met betrekking tot het gedrag van appellante tegenover klanten. Het Uwv heeft bij besluit van 30 augustus 2004 de gevraagde WW-uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden omdat zij zich zodanig heeft gedragen dat de dienstbetrekking is beëindigd en zij had kunnen weten dat haar gedrag tot ontslag zou leiden. Voorts heeft het Uwv in dit besluit gesteld dat appellante onvoldoende heeft gesolliciteerd tijdens de periode dat zij was vrijgesteld van werkzaamheden, ook na de beschikking van de kantonrechter toen zij wist dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2004 zou eindigen, en heeft hij er op gewezen dat appellante zich niet tijdig als werkloos heeft gemeld en zich niet tijdig heeft ingeschreven als werkzoekende. Bij besluit van

16 februari 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 augustus 2004 ongegrond verklaard, primair op de grond dat appellante de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, niet is nagekomen, subsidiair op de grond dat appellante de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, heeft overtreden.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en beslissingen gegeven ter zake van vergoeding van griffierecht en proceskosten. Zij heeft daartoe overwogen dat het Uwv zich in verweer op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden besluit primair moet worden geacht te berusten op de grondslag dat appellante de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, niet is nagekomen en dat het Uwv daarmee terugkomt van de in het bestreden besluit genoemde primaire grondslag, zodat het beroep om die reden reeds gegrond dient te worden verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat zij met het Uwv van oordeel is dat in de voorhanden zijnde gegevens voldoende steun is te vinden voor het standpunt dat appellante even genoemde verplichting niet is nagekomen, nu uit die gegevens genoegzaam valt af te leiden dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is ingegeven door de opstelling van appellante jegens haar werkgever en dat appellante heeft moeten begrijpen dat haar gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar, gelet op haar gezondheidstoestand ten tijde in geding van belang, niet of slechts in verminderde mate kan worden verweten zich te hebben gedragen zoals zij heeft gedaan.

4.1. In hoger beroep heeft appellante gemotiveerd aangevoerd dat haar opstelling tegenover de werkgever niet zodanig is geweest dat kan worden gesteld dat zij de beëindiging van het dienstverband over zich heeft afgeroepen. Voorts heeft zij gesteld dat haar geestesgesteldheid ten tijde in geding van belang zodanig was dat de ontstane situatie haar niet, dan wel slechts in verminderde mate kan worden verweten. Ter onderbouwing heeft zij een verklaring van de haar behandelende psychiater

J. Waardenburg van 4 mei 2006 overgelegd.

4.2. In verweer heeft het Uwv het door hem in beroep ingenomen standpunt gehandhaafd en een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 11 september 2006 overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat de aangevoerde medische feiten geen betrekking hebben op de in geding zijnde periode en dat uit het functioneren van appellante in die periode blijkt dat ze toen niet ontoerekeningsvatbaar is geweest.

5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, niet is nagekomen en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Voorts acht de Raad niet genoegzaam aannemelijk gemaakt dat appellante haar gedragingen niet of niet in overwegende mate kunnen worden verweten, waarbij hij er op wijst dat het in dit geding gaat om de gedragingen van appellante in mei/juni 2004 en de door appellante ingebrachte medische gegevens onvoldoende grond bieden voor het oordeel dat zij in die periode reeds in een zodanige mate psychische klachten ondervond dat haar gedragingen haar niet of slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend, dan wel dat zij toen niet heeft kunnen voorzien dat deze gedragingen het einde van de dienstbetrekking tot gevolg zouden kunnen hebben.

5.2. Gelet op het hiervoor overwogene treft het hoger beroep van appellante geen doel, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.

6. De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en

B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.