Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
05-2772 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2772 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2005, 04/2561 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxberichten van 15 en 16 februari 2007 heeft mr. Stap medische gegevens in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stap. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork-Ebing.

II. OVERWEGINGEN

Aan een eerder tussen dezelfde partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2003, waarin appellant "eiser" en het Uwv "verweerder" wordt genoemd, ontleent de Raad het volgende:

"Eiser was laatstelijk werkzaam als kwekerij medewerker voor 38 uur. Op 4 mei 1998 heeft hij zich voor dit werk ziek gemeld wegens diabetesklachten en spier- en gewrichtspijnen.

In verband hiermee ontvangt hij een uitkering ingevolge de Wet op de

Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Bij besluit van 7 december 1999 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 25 januari 2000 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Bij besluit van 3 oktober 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 november 2001 heeft de

rechtbank verweerders besluit van 3 oktober 2000 vernietigd, omdat het onzorgvuldig was voorbereid en ondeugdelijk was gemotiveerd, en beslist dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiser diende te nemen. Bij het bestreden besluit van 22 april 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 7 december 2000 gehandhaafd."

Met betrekking tot het besluit van 22 april 2002 heeft de rechtbank in de uitspraak van 28 oktober 2003 onder meer het volgende overwogen:

"Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de in het belastbaarheidspatroon weergegeven beperkingen van eiser, niet is komen vast te staan dat eiser op 25 januari 2000 in staat is alle zes door de arbeidsdeskundige uit het Functie Informatie Systeem (FIS) geselecteerde functies (Fb-codes) te verrichten.

Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

In Fb-codes 8538, 7952, 9716, 7969 en 9017 is, blijkens de verwoordingen functiebelasting van deze functies, sprake van asterisken op één of meer aspecten ten teken dat de belastbaarheid van deze functies op deze punten niet geheel correspondeert met de belastbaarheid van eiser zoals die in het belastbaarheidspatroon is vastgesteld. Alleen voor wat betreft de asterisken op het aspect "reiken" heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 27 augustus 2000, naar het oordeel van de rechtbank toereikend, gemotiveerd dat eisers belastbaarheid op dit punt in de geduide functies niet wordt overschreden. Met betrekking tot de overige asterisken in Fb-codes 7952, 9716,7969 en 9017 is geen motivering verstrekt. Aangezien een dergelijke motivering naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onontbeerlijk is (zie bijvoorbeeld RSV 1996/136 en 1997/225), is niet vast komen te staan dat deze functies geschikt zijn voor eiser en kunnen ze om deze reden niet bij de schatting worden betrokken.

Gelet op het voorgaande resteren in medisch opzicht slechts twee Fb-codes die geschikt kunnen worden geacht voor eiser, waarvan er één (Fb-code 8112) bovendien in arbeidskundig opzicht niet acceptabel is, omdat hij niet voldoet aan het actualiteitsvereiste dat een functie niet langer dan anderhalf jaar vóór de schattingsdatum mag zijn geactualiseerd. Daarmee is niet voldaan aan het in artikel 4 van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (oud) gestelde vereiste dat een arbeidsongeschiktheidsschatting op tenminste drie functies (Fb-codes) moet zijn gebaseerd. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens het ontbreken van een feitelijke grondslag. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Verweerder zal een nieuwe beslissing moeten nemen op eisers bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen."

Partijen hebben in deze uitspraak berust. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige R. Pel in een rapport van 11 december 2003, welk rapport in verband met gevoerd overleg is medeondertekend door de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink, uiteengezet waarom de herziening van de uitkering van appellant ingevolge de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% met ingang van 25 januari 2000 bij besluit van 7 december 1999 in stand kan blijven.

Vervolgens is bij besluit van 6 februari 2004, verder: het bestreden besluit, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 december 1999 wederom ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak is met betrekking tot het bestreden besluit onder meer het volgende overwogen:

"Bij haar uitspraak van 28 oktober 2003 heeft de rechtbank geoordeeld

dat verweerder de medische beperkingen van eiser per 25 januari 2000

juist heeft vastgesteld. De rechtbank is niet gebleken dat eiser tegen de

uitspraak van de rechtbank van 28 oktober 2003 hoger beroep heeft

ingesteld. De overwegingen van de rechtbank over het medisch

oordeel van verweerder per 25 januari 2000, hebben daardoor

rechtskracht verkregen. De rechtbank gaat daarom bij de beoordeling

van het bestreden besluit uit van de door verweerder vastgestelde

belastbaarheid per 25 januari 2000.

De in het kader van het arbeidskundige onderzoek geduide functies die

aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, te weten meubelspuiter (Fb-code 8112), printplatenmonteur (Fb-code 8538) en confectienaaier (Fb-code 7952), zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als algemeen geaccepteerde arbeid. De rechtbank kan het door eiser gestelde dat de voor hem passend geachte functies, niet

passend zijn aangezien bij het bepalen van zijn belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten, niet onderschrijven. De rechtbank constateert dat

bezwaararbeidsdeskundige R. Pel in zijn - mede door bezwaarverzekeringsarts

R.M. de Vink ondertekende -rapportage van 11 december 2003, welke onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, per geduide functie uitgebreid ingaat op de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid en daarbij aangeeft dat er van ongeoorloofde overschrijdingen geen sprake is. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan juistheid van de motivering van het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige. In dit kader komt voorts de motivering van het standpunt van verweerder dat alle aan belanghebbende voorgehouden functies op de in het geding zijnde datum voldoende actueel zijn, voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en qua opleiding en arbeidservaring, alsmede qua belasting versus belastbaarheid als passend zijn te achten om een schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid op te baseren, de rechtbank juist voor.

Uit het arbeidskundig onderzoek blijkt voorts dat eiser met de functies waarop de schatting is gebaseerd een zodanig inkomen kan verdienen dat hij voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd."

In hoger beroep heeft appellant zijn stelling gehandhaafd dat onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek is verricht en dat geselecteerde functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zijn.

De Raad oordeelt als volgt.

In hetgeen in hoger beroep namens appellant is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het bestreden besluit en voegt daaraan het volgende toe.

In dit geding kan niet meer aan de orde zijn de vraag of de belastbaarheid van appellant uitgaande van de datum 25 januari 2000 door het Uwv juist is vastgesteld door het Uwv. Partijen hebben immers berust in de uitspraak van rechtbank van 28 oktober 2003 waarin een stellig en partijen bindend oordeel van de rechtbank over die belastbaarheid was neergelegd. In dit verband tekent de raad nog aan dat van de zijde van het Uwv ter zitting nog is toegelicht, dat, mede gezien het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van

28 oktober 2003, met het gestelde in het rapport van 11 december 2003 inzake de beperking op het onderdeel 28B (dwingend werktempo) niet is beoogd deze beperking terug te nemen.

Om die reden laat de Raad de door appellants gemachtigde in februari 2007 overgelegde medische gegevens, die overigens geen betrekking hebben op de datum in geding, buiten beschouwing.

Voorts heeft de Raad aan de hand van het hiervoor genoemde rapport van Pel en De Vink kunnen vaststellen dat de functie meubelspuiter is geactualiseerd, waarvan bewijsstukken bij het rapport zijn overgelegd.

Wat betreft de samensteller printplaten en de printmonteur was de signalering bij het reiken al eerder toegelicht. De overschrijdingen wat betreft de aspecten 28F en 28G betreffen een systeemfout van het FIS, waarbij in onderdeel 28 ook aspecten worden gesignaleerd waarop de betrokkene niet beperkt is.

Wat betreft de confectienaaister heeft de bezwaararbeidsdeskundige Pel in zijn rapport voldoende en ook op plausibele wijze toegelicht waarom er in de functies van modinette geen sprake is van voortdurende of bovengemiddelde tijdsdruk.

Voorts heeft de Raad aan de hand van de verkorte functieomschrijvingen van de hiervoor genoemde functies kunnen vaststellen dat in geen van die functies er sprake is van "lopende band werk" in die zin dat iemand niet tussentijds zijn werkplek kan verlaten zonder dat het hele productieproces in de war loopt. Aldus heeft het Uwv voldoende rekening gehouden met de voor appellant geldende beperking dat hij in geval van ontregelde diabetes wat vaker naar het toilet zal moeten gaan.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.J. Janssen.

CVG