Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
06-3975 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen WW-uitkering wegens blijvende betalingsonmacht. Aanvraag niet gedaan binnen 26 weken na datum faillissement werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3975 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 juni 2006, 06/375 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant is gedurende de periode 27 februari 1996 tot en met 25 april 1997 in dienst geweest bij [naam werkgever] B.V. (hierna: de werkgever). Op

4 november 2003 is de werkgever in staat van faillissement verklaard. Appellant heeft zowel vóór als na de datum van het faillissement getracht om de werkgever te bewegen achterstallige betalingen te voldoen. Op 22 juli 2005 heeft appellant een aanvraag ingediend om overneming van de loonbetalingsverplichting op grond van hoofdstuk IV van de WW over de jaren 1996 en 1997.

3. Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft het Uwv meegedeeld dat appellant niet in aanmerking komt voor uitkering wegens blijvende betalingsonmacht, omdat hij niet binnen 26 weken na de datum van het faillissement van de werkgever een aanvraag heeft gedaan.

4. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 4 januari 2006 heeft het Uwv de beslissing van 31 augustus 2005 gehandhaafd. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld over een periode die ligt vóór 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag is ingediend, tenzij sprake is van een bijzondere omstandigheid. Het gegeven dat appellant er alles aan heeft gedaan om zijn claim bij de werkgever te verzilveren, is niet een dusdanige bijzondere omstandigheid dat die reden geeft om af te wijken van artikel 23 van de WW.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat artikel 23 van de WW van overeenkomstige toepassing is op de aanvraag om overneming van de loonbetalingsverplichting. Voorts is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat appellant zijn aanvraag niet binnen 26 weken na faillietverklaring van de werkgever heeft ingediend, zodat hij niet in aanmerking komt voor een uitkering. Van bijzondere omstandigheden om hiervan af te zien is de rechtbank niet gebleken. De aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid is een objectieve voorwaarde voor het doen ontstaan van, en de uitoefening van, de bevoegdheid van het Uwv om af te wijken van de eerste volzin van artikel 23 van de WW. Het betreft een afwijkingsbevoegdheid waarbij het aan appellant en niet aan het Uwv is om bijzondere omstandigheden aan te voeren.

Het feit dat de moedermaatschappij niet failliet is verklaard leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu appellant met de werkgever en niet met de moedermaatschappij een arbeidsovereenkomst is aangegaan.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank in de uitspraak ten onrechte niet zijn standpunt heeft onderschreven dat in beslissingen over het toepassen van artikel 61 van de WW ook het standpunt van de curator moet worden betrokken. Appellant heeft in dit verband gesteld dat het niet zo is dat het Uwv daar zelfstandig over beslist. Het Uwv had alvorens een beslissing te nemen volgens appellant contact moeten opnemen met de curator, te meer nu het een omvangrijk faillissement was en onduidelijkheid bestond over de rol van de dochter- en moedervennootschappen.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. In geding is de vraag of de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv heeft onderschreven dat geen recht bestaat op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW omdat appellant de aanvraag niet tijdig heeft ingediend en geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 23 van de WW.

7.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De Raad verenigt zich met de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder naar voren is gebracht, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten, zodat de Raad kan volstaan met een verwijzing naar dit oordeel.

7.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en

B.I. Klaassens als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) A.J. Rentmeest