Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
06-957 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Zorgvuldigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/957 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 december 2005, 05/394 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.A.M. Ammerlaan, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De werkgever heeft de Raad desgevraagd medegedeeld niet als partij aan het geding deel te nemen.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.A. Vis, collega van mr. Ammerlaan voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

2.1. Appellante is op 20 juli 1998 in dienst getreden als vestigingsmanager bij [naam werkgever] Beheer B.V. Op 17 december 2002 is zij uitgevallen met schouderklachten. Op

3 november 2003 heeft appellante een uitkering ingevolge de WAO aangevraagd per einde wachttijd. Na een uitkering aanvankelijk te hebben geweigerd heeft het Uwv bij besluit van 24 september 2004 aan appellante een WAO-uitkering toegekend met ingang van 16 december 2003, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en deze uitkering beëindigd met ingang van 1 september 2004.

Bij het thans bestreden besluit van 8 februari 2005 heeft het Uwv, voor zover thans van belang, appellantes bezwaar tegen de beëindiging van haar uitkering per 1 september 2004 ongegrond verklaard. De beëindiging van de uitkering is door het Uwv gebaseerd op het standpunt dat appellante per 1 september 2004 geschikt was voor haar eigen werk.

3. De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dit strekt tot beëindiging van de uitkering met ingang van 1 september 2004, ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat er geen aanleiding is om te oordelen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellante hebben overschat, noch om te oordelen dat de arbeidsdeskundige de belasting van appellantes eigen werk te laag heeft vastgesteld.

4. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank en zij heeft daartoe aangevoerd dat de medische en de arbeidskundige beoordeling van haar gezondheidssituatie per 1 september 2004 op onzorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. Tegen de medische beoordeling heeft appellante ingebracht dat geen advies van een orthopeed, maar van een reumatoloog had moeten worden ingewonnen, aangezien haar klachten en beperkingen voortvloeien uit spieren en gewrichten en al in 1990 bij haar door de reumatologe Y. Schenk de diagnose fibromyalgie is gesteld.

Ter zitting heeft appellante nog gesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door een niet gekwalificeerde arts, te weten een verzekeringsarts in opleiding, die dit blijkens de ondertekening van de van het onderzoek opgemaakte rapporten niet heeft gedaan onder verantwoordelijkheid van een verzekeringsarts.

Met betrekking tot de arbeidskundige beoordeling heeft appellante aangevoerd dat er onvoldoende rekening mee is gehouden dat zij voor het bijhouden van de administratie, wat tot haar takenpakket behoorde, geregeld ordners vol papier moest pakken en wegzetten, hetgeen haar krachten te boven ging, en dat onbegrijpelijk is dat het werken met de muis mogelijk is geacht ondanks de in de kritische functionele mogelijkhedenlijst aangegeven beperking, dat appellante niet of nauwelijks in staat is om repetitieve hand/vingerbewegingen te maken.

Appellante heeft er hierbij nog op gewezen dat zij een werkhervatting in augustus 2004 na twee middagen op advies van de Arbo-arts heeft moeten staken.

5. De Raad oordeelt over de aangevallen uitspraak als volgt.

5.1. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante van een WAO-uitkering is appellante onderzocht door een verzekeringsarts in opleiding, die vervolgens informatie heeft opgevraagd bij de behandelend orthopedisch chirurg van appellante en een orthopedische expertise heeft gevraagd. Op basis van de verkregen informatie heeft de verzekeringsarts in opleiding op 30 juni 2004 appellantes beperkingen per einde wachttijd vastgesteld aan de hand van een kritische functionele mogelijkhedenlijst. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens bezien of appellante haar eigen werkzaamheden per einde wachttijd nog kon verrichten en zij heeft deze vraag blijkens een rapportage van

26 juli 2004 bevestigend beantwoord.

5.2. Met betrekking tot de datum 1 september 2004 is niet opnieuw onderzoek verricht door een verzekeringsarts. Wel heeft een bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van appellantes bezwaar tegen de beëindiging van haar uitkering per 1 september 2004 een rapportage, gedateerd 31 januari 2005, opgemaakt waarin is geconcludeerd dat er geen aanleiding is de functionele mogelijkhedenlijst van de verzekeringsarts te herzien en dat in de WAO-beoordeling rekening is gehouden met de beperkte belastbaarheid van appellante.

Het Uwv heeft het bestreden besluit gebaseerd op deze rapportage van 31 januari 2005. In het bestreden besluit is gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts aannemelijk heeft gemaakt dat de medische situatie per 1 september 2004 gelijk is te stellen met die van de oorspronkelijke weigeringsdatum van 16 december 2003. Het Uwv heeft dit standpunt niet beargumenteerd en ook ter zitting desgevraagd niet nader kunnen onderbouwen.

5.3. Anders dan het Uwv heeft de Raad in bedoelde rapportage van de bezwaarver-zekeringsarts geen aanwijzing gevonden dat deze arts appellantes gezondheidssituatie per 1 september 2004 heeft onderzocht en vergeleken met die per 16 december 2003. Uit de rapportage van 31 januari 2005 blijkt immers dat de bezwaarverzekeringsarts het onderzoek heeft beperkt tot een toetsing van het medische oordeel van de verzekerings-arts in opleiding, welk oordeel betrekking had op de situatie per 16 december 2003. In de rapportage van 31 januari 2005 is voorts geen aandacht besteed aan de vraag of zich in appellantes medische situatie relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de periode tussen 16 december 2003 en 1 september 2004. De Raad gaat er dan ook vanuit dat geen onderzoek is verricht naar de gezondheidstoestand van appellante per 1 september 2004.

5.4. De Raad ziet dit oordeel bevestigd door het feit dat, naar ter zitting is komen vast te staan, de bezwaarverzekeringsarts niet de beschikking had over de volledige, door appellante op 20 september 2004 overgelegde brief van haar behandelend reumatologe en met name geen kennis heeft genomen van wat daarin op bladzijde 3 onder ‘bespreking’ en ‘conclusie’ is gesteld. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts blijkt niet dat aandacht is besteed aan de bevindingen van de reumatologe. Evenmin is de reumatologe benaderd voor het geven van nadere informatie. Niet duidelijk is waarom de bezwaar-verzekeringsarts hiertoe geen aanleiding heeft gezien.

5.5. De Raad is voorts gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts geen rekening heeft gehouden met de psychische klachten van appellante, die zich blijkens de stukken hebben geopenbaard in de periode tussen 13 december 2003 en 1 september 2004, noch met het gegeven dat appellante na een werkhervatting voor halve dagen op 3 en 5 augustus 2004, zich op advies van de bedrijfsarts op 6 augustus 2004 heeft ziekgemeld. Onderzoek hiernaar is niet verricht.

5.6. Reeds op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onzorgvuldig tot stand gekomen medisch oordeel en om die reden niet in stand kan blijven.

5.7. Ook de arbeidskundige beoordeling is naar het oordeel van de Raad niet voldoende zorgvuldig geweest, nu onvoldoende onderzoek is gedaan naar de aard van de onderscheiden werkzaamheden die appellante verrichtte, het tijdsbeslag van de verschillende deeltaken en de belasting van elk van die taken.

5.8. Aan een oordeel over hetgeen appellante overigens nog heeft aangevoerd komt de Raad niet meer toe.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, moet eveneens worden vernietigd.

6.1. De Raad ziet aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden aan kosten van rechtsbijstand begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, en op € 210,-- aan kosten van een deskundige die aan appellante verslag heeft uitgebracht, totaal derhalve € 1.176,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellante;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante, begroot op € 1.176,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- (€ 37,-- in beroep en € 103,-- in hoger beroep) aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.R.S. Bacon.