Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
05-1048 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak (uitspreken). Geen uitspraakdatum.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:77, geldigheid: 2007-04-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/238

Uitspraak

05/1048 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de ongedateerde uitspraak van de rechtbank Amsterdam, 03/1766 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 10 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.E. Jalandoni, verbonden aan de Utrechtse Juristen Groep te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.S. van Daatselaar. Betrokkene is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt allereerst vast dat de aangevallen uitspraak niet de dag vermeldt waarop de beslissing is uitgesproken. Om die reden dient zij wegens strijd met artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.

De aangevallen uitspraak is bij brief van 13 januari 2005 aan partijen toegezonden en de gemachtigde van appellant heeft ter zitting bevestigd dat deze op 14 januari 2005 is ontvangen. Mede gelet hierop acht de Raad terugwijzing van de zaak naar de rechtbank niet noodzakelijk. De Raad zal de zaak zelf afdoen en overweegt in dat verband als volgt.

Betrokkene is op 29 februari 2000 met polsklachten uitgevallen voor haar werk als bejaardenverzorgster. Met ingang van 28 februari 2001 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft de verzekeringsarts T. Wanamarta betrokkene op

5 oktober 2001 onderzocht en haar in zijn rapport van dezelfde datum belastbaar geacht overeenkomstig het door hem opgestelde belastbaarheidsprofiel van 5 oktober 2001. Door de arbeidsdeskundige W.E.I. Rikkert werd vervolgens een aantal functies uit het Functie Informatie Systeem (FIS) geselecteerd en aan betrokkene voorgehouden, waarna appellant bij besluit van 29 januari 2002 betrokkenes uitkering met ingang van

6 januari 2002 introk, onder de overweging dat betrokkene met ingang van die datum niet langer arbeidsongeschikt werd geacht voor de WAO. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 maart 2003 (hierna: besluit 1) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

In de loop van de beroepsprocedure heeft appellant op 30 augustus 2004 een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van betrokkene (hierna: besluit 2). Hierbij is het bezwaar alsnog gegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid per 6 januari 2002 gesteld op 25 tot 35%.

Hieraan lag ten grondslag een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe van 25 augustus 2004, die van de eerder geduide functies slechts die van brugwachter (FB-code 9734) en telefoniste/receptioniste (FB-code 3804) geschikt achtte en die op basis van nieuwe raadpleging van het FIS een aantal aanvullende functies heeft geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit heeft berekend op 27,4%.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard voorzover gericht tegen de arbeidskundige grondslag daarvan en ongegrond voorzover gericht tegen de medische grondslag daarvan. Voorts heeft zij het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Verder heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskostenvergoeding. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de besluitvorming is de rechtbank van oordeel dat appellant ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom in strijd met het eigen beleid de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald met behulp van het FIS-systeem, terwijl dit systeem per 1 januari 2002 is vervangen door het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).

Anders dan de rechtbank gaat de Raad er van uit dat appellant met besluit 2 in feite besluit 1 geheel heeft ingetrokken. Nu met besluit 2 niet volledig aan het beroep tegen besluit 1 tegemoet is gekomen wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb, dit beroep geacht mede gericht te zijn tegen besluit 2. Nu niet is gebleken dat betrokkene nog een procesbelang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 1 dient haar beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot besluit 2 merkt de Raad naar aanleiding van de overwegingen van de rechtbank omtrent de gebruikmaking van het FIS in plaats van het CBBS allereerst op, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 oktober 2005 (LJN: AU5061), dat het

CBBS als nieuw, het FIS opvolgend, ondersteunend systeem bij schattingen ingevolge de verschillende arbeidsongeschiktheidswetten, anders dan op grond van de destijds door appellant verstrekte informatie vermeld staat in de uitspraken van de Raad van

9 november 2004, onder meer gepubliceerd in RSV 2004, 351, door appellant niet over de gehele linie precies op 1 januari 2002 maar - zulks onder meer verschillend per uitvoeringsinstelling - met een zekere fasering is ingevoerd.

Aan de Raad is niet kunnen blijken van aanknopingspunten om het ervoor te houden dat schattingen waarbij gebruik is gemaakt van het FIS, zoals in het onderhavige geval, tot relevante verschillen in uitkomsten leiden in vergelijking met schattingen waarbij gebruik wordt gemaakt van het CBBS. Ook in het onderhavige geval is geen aanleiding voor het oordeel dat betrokkene door de gebruikmaking van het FIS-systeem op onaanvaardbare wijze, bij voorbeeld wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel, in haar belangen zou zijn geschaad.

Aan de Raad is evenmin als de rechtbank kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts M. Solak in zijn rapport van 18 februari 2003 geaccordeerde belastbaarheidspatroon, zoals in de primaire fase opgesteld door de verzekeringsarts Wanamarta, geen juiste weergave vormt van de bij betrokkene ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Solak blijkens zijn rapportage op grond van brieven van de behandelend revalidatiearts en van de huisarts op de hoogte was van de aan betrokkene voorgeschreven pols/duimorthesen, van de inmiddels ontstane enkelklachten en van de verwijzing naar het reumatologisch instituut Jan van Breemen en deze informatie in zijn beoordeling heeft laten meewegen. Van de zijde van betrokkene zijn geen nadere medische gegevens ingebracht, die aanknopingpunten bieden voor de veronderstelling dat haar belastbaarheid op de in geding zijnde datum is overschat.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door appellant aangenomen medische beperkingen bij betrokkene ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat betrokkene de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige Rikkert geselecteerde en aan betrokkene voorgehouden functies van brugwachter (FB-code 9734) en telefoniste/receptioniste (FB-code 3804) niet zou kunnen verrichten. Hetzelfde geldt voor de door de bezwaararbeidsdeskundige Pompe blijkens zijn rapport van 25 augustus 2004 geselecteerde functies van portier (FB-code 5992), telefoniste taxicentrale (FB-code 3801) en telefoniste/centraliste (FB-code 3802). Weliswaar zijn laatstgenoemde functies niet aan betrokkene voorgehouden maar zij liggen in het verlengde van de eerder wel aan betrokkene voorgehouden functies als telefoniste, receptioniste en gastvrouw, zodat het betrokkene ook ten tijde in geding duidelijk kon zijn dat functies als deze voor haar geschikt werden geacht. De Raad overweegt voorts dat in de rapportage bezwaarteam van 26 augustus 2004 gemotiveerde toelichtingen zijn gegeven op een aantal belastingsaspecten van de geduide functies in relatie tot het belastbaarheidspatroon, die van de zijde van betrokkene niet zijn weersproken en die de Raad voldoende overtuigend zijn voorgekomen.

Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige Pompe in zijn rapport van 25 augustus 2004 het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene per de in geding zijnde datum op de juiste wijze vastgesteld op 27,4%. Ook dit is van de zijde van betrokkene niet weersproken. De mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is daarom bij besluit 2 terecht vastgesteld op 25 tot 35%.

De Raad komt tot de slotsom dat besluit 2 in rechte stand houdt en dat het beroep van betrokkene, voor zover dit geacht wordt mede te zijn gericht tegen dit besluit, ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg. Deze kosten worden begroot op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand in beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag van

€ 644,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het in beroep betaalde griffierecht van € 31,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.

JL