Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
16-04-2007
Zaaknummer
04-1969WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-beoordeling. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase van de besluitvorming. Immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 186

Uitspraak

04/1969 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2004, 02/5091 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 april 2007

I PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en, desgevraagd, een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2007. Voor appellant is verschenen mr. Van den Brom voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische bedrijven.

Appellant, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, is in Nederland tot in of omstreeks augustus 1992 werkzaam geweest als tuinbouwmedewerker. Nadat appellant in aansluiting hierop in aanmerking was gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet is hij in december 1992 voor vakantie naar Marokko vertrokken. Daar heeft appellant zich bij de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) per

1 januari 1993 ziekgemeld. Aangegeven worden rugklachten, duizeligheid en overgeven. Gedurende het ziektewetjaar en enige tijd daarna is appellant bij de CNSS onder controle gebleven. Door de CNSS is steeds aangegeven dat appellant buiten staat was om zijn werk te hervatten. Verder heeft appellant medische verklaringen ingezonden van de neuro-psychiater A. Chebani, die aangeeft dat appellant niet in staat is om buiten Marokko te reizen, zelfs niet onder begeleiding en met de meest geavanceerde transportmiddelen.

Op 24 februari 1994 adviseert het bestuur van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) het Uwv om onder toepassing van artikel 25 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) de bestaande arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten. Als grond wordt gegeven dat appellant niet adequaat reageert op oproepen voor medisch onderzoek, terwijl appellant in staat wordt geacht, al dan niet onder begeleiding, naar Nederland te reizen. Overwogen wordt dat het inschakelen van de CNSS om appellants reisvaardigheid te laten beoordelen zinloos wordt geacht. Vervolgens verzoekt het Uwv appellant in mei 1994 naar Nederland te komen voor medisch onderzoek.

Appellants echtgenote reageert hierop met een nieuwe verklaring van dr. Chebani van

13 juni 1994. Chebani schrijft dat er sprake is van een verslechtering van de psychische toestand van appellant. Appellant bevindt zich in een depressieve toestand en een vergevorderde staat van verwaarlozing. Hij neigt naar agressie. Herhaald wordt dat reizen buiten Marokko is gecontraïndiceerd. Appellants echtgenote merkt nog op dat appellant beschikbaar is voor onderzoek in Marokko.

De verzekeringsarts Biersteker rapporteert op 19 juli 1994 dat er geen objectieve en objectiveerbare gegevens voorhanden zijn. Er is naar zijn mening nog geen advies per einde wachttijd mogelijk. Appellant zal nogmaals opgeroepen worden voor onderzoek in Nederland. Daarop is aan appellant bij brief van 21 november 1994 medegedeeld dat hij op 7 februari 1995 in Amsterdam wordt verwacht. Op en na 8 februari zijn enkele medische onderzoeken gepland. Reis en verblijf van appellant zijn door het Uwv geregeld. Appellant kan reizen met begeleiding, maar over de noodzaak van de begeleiding en de vergoeding van de kosten van de begeleider wordt na onderzoek van appellant in Nederland beslist. Ten slotte wordt opgemerkt dat wanneer appellant geen gevolg geeft aan de oproep dit consequenties kan hebben voor zijn (eventuele) recht(en) op uitkering.

Bij brief gedateerd 9 januari 1995 verzoekt appellants echtgenote wederom om een onderzoek in Marokko. Aangegeven wordt dat appellant nog steeds ziek te bed ligt en onder controle staat van een CNSS-arts. Verder wordt gewezen op de precaire financiële situatie van appellant. Bijgevoegd wordt een medische verklaring van dr. B. Chiri. Chiri, die appellant op 9 januari 1995 heeft onderzocht, stelt als diagnose: depressieve toestand met hoofdpijn, duizeligheid, slapeloosheid, chronische lumbalgie met functioneel onvermogen. Appellant heeft een rustperiode van 38 dagen nodig, behoudens complicaties.

De wetstechnisch beoordelaar R. Zaagsma rapporteert op 1 februari 1995 dat alles in het werk is gesteld om een goed onderzoek te verrichten, maar dat door de houding van appellant de GMD daartoe niet in staat is gebleken. De bemoeienissen van de GMD worden gestaakt. Geadviseerd wordt om op grond van artikel 25 van de WAO eventuele arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten. Bij brief van 15 februari 1995 wordt dit standpunt van de GMD aan appellant medegedeeld. Daarop worden namens appellant medische verklaringen ingezonden van dr. Guennoun van de CNSS, die appellant geheel arbeidsongeschikt acht en van dr. Chebani, die appellant niet reisvaardig buiten Marokko acht.

Appellants echtgenote blijft aandringen op een definitieve beslissing omtrent appellants aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Begin 2000 stelt mr. E.M. van den Brom zich als gemachtigde van appellant. Bij brief van 3 oktober 2000 laat het Uwv aan de gemachtigde weten dat een WAO-aanvraag in behandeling wordt genomen nadat een verzekerde 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en ziekengeld heeft ontvangen over de maximale termijn. Aangezien appellant geen uitkering ingevolge de Ziektewet heeft gehad, kunnen eventuele aanspraken op een WAO-uitkering niet worden beoordeeld. Tegen dit besluit stelt de gemachtigde bij brief van 17 oktober 2000 bezwaar in. Opgemerkt wordt dat een beslissing omtrent de rechten te ontlenen aan de WAO losstaat van een eventuele uitkering ingevolge de Ziektewet.

Bij besluit van 25 juni 2001 heeft het Uwv aan appellant laten weten dat met ingang van 1 januari 1994 zijn eventueel uit de WAO of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet voortvloeiende aanspraken geheel en blijvend buiten aanmerking worden gelaten.

In bezwaar rapporteert de bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma op 7 februari 2002 dat uit de beschikbare medische gegevens niet duidelijk is geworden waarom appellant in de periode 1993-1995 niet kon reizen. In ieder geval is niet duidelijk waarom hij niet onder begeleiding in staat was naar Nederland te komen.

Bij besluit van 21 oktober 2002 is het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag om een WAO-uitkering gegrond verklaard.

Bij besluit op bezwaar van 22 oktober 2002, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2001 ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Jeensma.

In beroep wordt in essentie herhaald dat appellant, ondersteund door medische verklaringen, heeft aangetoond dat hij niet reisvaardig is en dat het Uwv dit niet met medische stukken heeft bestreden. Subsidiair wordt betoogd dat, indien moet worden aangenomen dat appellant onder begeleiding naar Nederland kan reizen, een onvoorwaardelijk aanbod zijdens het Uwv tot vergoeding van de daarmee gepaard gaande kosten ontbreekt.

De rechtbank heeft appellant, in navolging van bezwaarverzekeringsarts Jeensma, reisvaardig geacht. De rechtbank acht verder van belang dat het Uwv maatregelen had getroffen met het oog op de begeleiding van appellant, wat ook aan appellant is bericht. Gelet hierop én op het feit dat appellant bij brief van 21 november 1994 erop is gewezen dat het niet verschijnen consequenties kan hebben voor appellants eventuele recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 25 van de WAO. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben partijen hun eerder ingenomen standpunten in essentie herhaald. Namens appellant is nog schadevergoeding gevraagd wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase van de besluitvorming.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de rechtbank met recht het beroep tegen het bestreden ongegrond heeft verklaard, waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn beslissing om, onder toepassing van artikel 25 van de WAO (zoals deze bepaling ten tijde hier in geding luidde), appellants arbeidsongeschiktheid op en na 1 januari 1994, geheel en blijvend buiten aanmerking te laten.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat, hoewel dit in het bestreden besluit niet eenduidig is neergelegd, het geheel en blijvend buiten aanwerking laten van de arbeidsongeschiktheid van appellant is gekoppeld aan het, zonder deugdelijke grond, niet voldoen door appellant aan de oproep van 21 november 1994 terzake van het medisch onderzoek op en na

8 februari 1995. Weliswaar was er al eerder sprake van oproepen van appellant voor medisch onderzoek in Nederland, maar deze oproepen zijn met recht aan het bestreden besluit niet ten gronde gelegd, nu ze niet voldeden aan de aan zo'n oproep als grondslag voor het toepassen van artikel 25 van de WAO.

Ten aanzien van de periode van 1 januari 1994 tot 8 februari 1995 betekent het voorgaande dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, nu vóór

8 februari 1995 geen sprake is van een overtreding die aanleiding kan geven tot het toepassen van artikel 25 van de WAO (oud).

Ten aanzien van de periode vanaf 8 februari 1995 oordeelt de Raad als volgt.

Door appellant zijn medische stukken in het geding gebracht, waaruit naar voren komt dat appellant op de datum hier in geding op medische gronden buiten staat was om naar Nederland te reizen. Het Uwv heeft er bewust van afgezien om appellants reisvaardigheid door de CNSS te laten beoordelen. Volstaan is met een beoordeling van de reisvaardigheid van appellant op grond van de stukken. Doorslaggevend is (blijkbaar) geacht dat appellant wel in staat is gebleken in Marokko voor medisch onderzoek grotere afstanden af te leggen.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv, in het licht van de bevindingen van de door betrokkene ingeschakelde Marokkaanse artsen, ten onrechte volstaan met een dossieronderzoek. Enige medische onderbouwing van het van de artsen in Marokko afwijkende oordeel ontbreekt. De Raad moet dan ook concluderen dat het bestreden besluit wat betreft de periode vanaf 8 februari 1995 niet is gebaseerd op een zorgvuldig onderzoek en dat het een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert, zodat het op grond van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot de vordering van appellant tot vergoeding van de door hem als gevolg van de lange duur van de procedure geleden immateriële schade overweegt de Raad als volgt.

De Raad stelt voorop dat de grief van appellant over de lange duur van de procedure zich uitsluitend richt tegen het aandeel van het bestuursorgaan in deze procedure. De Raad stelt vast dat namens appellant op 17 oktober 2000 bezwaar is gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daaruit volgt dat ten tijde van de datum van deze uitspraak de procedure ruim 6 1/2 jaar heeft geduurd. De Raad is, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 december 2004, LJN AR7273, van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn is overschreden. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant een rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure. In het licht van het aandeel van het Uwv in de duur van de overschrijding van de redelijke termijn, kent de Raad aan appellant een vergoeding toe voor immateriële schade van € 1.500,-.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.

JL