Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
05-1814 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering, minder dan 15% arbeidsongeschikt, geen aanleiding om de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig te achten, ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft geen gebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1814 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 februari 2005, 04/2897 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 6 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. de Deugd, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007.

Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Deugd, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, laatstelijk werkzaam als chauffeuse rolstoelvervoer voor 18 uur per week, heeft haar werkzaamheden op 17 februari 2003 moeten staken in verband met handklachten. Later kreeg zij ook psychische klachten en rugklachten. In verband hiermee heeft zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd.

Bij besluit van 17 februari 2004 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 16 februari 2004 een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij besluit van 29 juni 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 februari 2004 ongegrond verklaard.

Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep -samengevat- aangevoerd dat de rechtbank op ontoereikende gronden, althans met een ontoereikende motivering het beroep heeft verworpen. De rechtbank gaat ten onrechte voorbij aan het in bezwaar reeds ingebrachte oordeel van de verzekeringsarts van Arbo Planning A. Mathoera van 4 februari 2004 en de bevindingen van de arbo-arts (Commit) van 7 oktober 2003 en 22 januari 2004. Deze controlerende artsen achtten appellante, anders dan de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv, volledig arbeidsongeschikt en tegen die achtergrond had het Uwv zich meer moeite moeten getroosten om het bestreden besluit te motiveren, aldus appellante.

Evenals de rechtbank, zoals zij in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, ziet de Raad geen aanleiding om de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig te achten.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het oordeel van de controlerend artsen is gegeven in het kader van de mogelijke reïntegratie van appellante in haar eigen werk, terwijl bij de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv de geschiktheid van appellante voor gangbare arbeid als uitgangspunt is genomen.

Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft naar het oordeel van de Raad geen gebreken. Er zijn aan appellante voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen voorgehouden die vallen binnen haar belastbaarheid en die de conclusie rechtvaardigen dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht en op goede gronden is vastgesteld op minder dan 15%.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en L.H. Waller als leden. De uitspraak is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

TM