Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
05-2344 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minder dan 15 % arbeidsongeschikt. Betrokkenes mogelijkheden om te werken zijn door het Uwv niet onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2344 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 maart 2005, 03/3267 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 6 april 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Namens appellante is verschenen mr. Van de Wege. Het Uwv was vertegenwoordigd door V.A. Kali, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was in deeltijd werkzaam als schoonmaakster bij Novotel te Eindhoven toen zij zich op 21 juni 2002 als gevolg van een bedrijfsongeval ziek meldde met verergering van migraineklachten en klachten over pijn in nek en armen. Op 6 mei 2003 is appellante onderzocht door verzekeringsarts A.M.M. Despiegelaere. Deze heeft als hoofddiagnose gesteld cervicobrachialgie ten gevolge slijtage niveau C5-C6 en vastgesteld dat de belastbaarheid van appellante dientengevolge beperkt is. De arbeidsdeskundige mr. J.A.M. Wijnekus is tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk als schoonmaakster voor 5 uur per week, maar nog wel voor een aantal andere, aan haar voorgehouden functies. Op basis van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%.

Het Uwv heeft bij besluit van 6 juni 2003 geweigerd appellante per einde wachttijd (20 juni 2003) in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

De bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans is ten aanzien van de belastbaarheid tot geen andere conclusie gekomen dan de verzekeringsarts. In zijn oordeelsvorming heeft de bezwaarverzekeringsarts mede betrokken dat bij uitgebreid neurologisch onderzoek, ondermeer bestaande uit een MRI- en CT-scan en een EEG, geen afwijkingen zijn gevonden en dat bij psychotechnisch onderzoek, uitgevoerd in opdracht van de behandelend revalidatiearts, stoornissen van het korte geheugen werden gevonden.

De bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet heeft geconcludeerd dat appellante in de maanden voorafgaand aan haar uitval gemiddeld 14,7 uur per week werkzaam was en heeft op basis van een maatman van 15 uur een achttal nieuwe functies geduid; op basis van de drie meest verlonende daarvan heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%.

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 oktober 2003 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts de beperkingen heeft vastgesteld op basis van eigen onderzoek en de voorhanden zijnde arbo-rapportages en reïntegratieplannen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de verergering van de migraineklachten sinds 21 juni 2001 meegenomen. Dit heeft evenwel niet geleid tot het aannemen van extra beperkingen. De in beroep door appellante overgelegde brief van revalidatiearts J. Hofstede van 29 december 2003 heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht, aangezien deze brief geen nieuwe medische gegevens bevat.

Wat de omvang van de werkweek betreft is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat verweerder terecht is uitgegaan van een werkweek van 14,7 uur. Daartoe is overwogen dat, blijkens informatie van de werkgever, de aan appellante verstrekte Ziektewetuitkering op 14,7 uur was gebaseerd.

De rechtbank is vervolgens tot het oordeel gekomen dat het Uwv de bij appellante bestaande mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op minder dan 15%. Echter, in de omstandigheid dat het Uwv eerst hangende het beroep de motivering voor de geschiktheid heeft gegeven, heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4719) aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en - met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten - het besluit van

22 oktober 2003 te vernietigen met bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat zij op grond van haar medische beperkingen in het geheel niet geschikt is voor het verrichten van arbeid, althans dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen. Zij heeft last van haar ogen, armen, benen, handen en nek. Bovendien heeft zij hoofdpijnklachten (migraine) en problemen met haar geheugen. Ter onderbouwing heeft appellante een rapport van neuropsycholoog drs. S.M.M. Verstraeten van 19 januari 2004 overgelegd. Verder heeft zij wederom betoogd dat zij voor haar uitval 22 tot 25 uur per week werkzaam is geweest.

De Raad overweegt als volgt.

De bezwaarverzekeringsarts J.A.F. Leunisse-Walboomers heeft in haar rapport van 7 juni 2005 gereageerd op voornoemde brief van 19 januari 2004. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij aangegeven dat appellante tijdens het onderzoek door de verzekeringsarts in mei 2003 geen geheugenproblemen naar voren heeft gebracht. De verzekeringsarts heeft in haar rapport zelfs uitdrukkelijk vermeld dat de geheugenfuncties ongestoord zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts te kennen geven dat geen betrouwbare conclusies aan de neuropsychologische testresultaten zijn te verbinden doordat de opmerking in die brief dat de opname van nieuwe informatie bij appellante niet optimaal verloopt, niet is afgezet tegen een norm. Daarom wordt niet duidelijk of sprake is van een afwijkende bevinding. Bovendien is voor deze constatering geen verklaring of vermoedelijke oorzaak gegeven. Ook heeft de bezwaarverzekerings-arts in aanmerking genomen dat de indruk bestond dat appellante de neiging heeft snel op te geven.

De Raad is wat het medisch aspect van de onderhavige beoordeling betreft evenals de rechtbank van oordeel dat appellantes mogelijkheden om werkzaam te zijn door het Uwv niet zijn onderschat. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen in de aangevallen uitspraak. Met betrekking tot de brief van 19 januari 2004 kan de Raad zich verenigen met de reactie van de bezwaarverzekeringsarts daarop in hoger beroep.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant merkt de Raad op dat uit informatie afkomstig van de werkgever van appellante van 18 maart 2003 kan worden afgeleid dat appellante, gelijk zij al bij de verzekeringsarts had verklaard, tot haar uitval op 21 juni 2002 nagenoeg 22 uur per week werkzaam is geweest. Anders dan de rechtbank en het Uwv is de Raad van oordeel dat de feitelijk verrichte werkzaamheden maatgevend zijn voor de vaststelling van de omvang van de werkzaamheden van appellante. Vorenstaande brengt mee dat – zoals is besproken ter zitting van de rechtbank op 15 februari 2005 – van de acht geselecteerde functies nog drie functies resteren. Het betreft de functies magazijn-/ expeditiemedewerker (SBC-code 111120), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en vleeswarenmaker/slachter (SBC-code 271070).

De bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet heeft in zijn rapportage van 24 januari 2005 een uitvoerige motivering gegeven met betrekking tot de passendheid van de functies binnen de functionele mogelijkheden van appellante. Met betrekking tot de functie met functienummer 3699-0325-005, die deel uitmaakt van de SBC-code 111180, heeft de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven dat in die functie sprake is van niet toegestane overschrijdingen en dat deze functie daarom komt te vervallen. Van de zijde van het Uwv is naar het oordeel van de Raad hiermee voldoende toegelicht waarom de geduide werkzaamheden door appellante kunnen worden vervuld.

Voorts overweegt de Raad dat het vervallen van een aantal SBC-codes en van één functie binnen één van de drie overgebleven SBC-codes geen gevolg heeft voor de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 15%. De Raad merkt in dit verband op dat SBC-code 111180 na het vervallen van betreffende functie nog voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigt. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat de in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 24 januari 2005 aangegeven reductiefactor 0,67 bij deze SBC-code een kennelijke misslag betreft; de reductiefactor is 1,0.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

MK