Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
23-04-2007
Zaaknummer
05-326 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen geldige reden voor betrokkene om niet op het spreekuur van de verzekeringsarts te verschijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/326 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 december 2004, 04/1621 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2007. Appellant is, zoals hij had aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Bij die uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat er voor appellant geen geldige reden is om niet op het spreekuur van de verzekeringsarts te verschijnen. De rechtbank zag geen aanleiding om een medisch onderzoek in haar opdracht te laten uitvoeren.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv hem (ook) als werkgever slecht heeft behandeld; er is op onjuiste gronden een ontslagprocedure tegen hem gestart; hij heeft derhalve alle reden voor wantrouwen jegens het Uwv. Er is geen garantie dat het onderzoek door het Uwv objectief zal zijn. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant voorts een brief van drs. H.E. van Leeuwaarde, psychiater, d.d. 14 april 2005 overgelegd.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

Evenals de rechtbank ziet de Raad geen geldige reden voor appellant om niet op het spreekuur van de verzekeringsarts te verschijnen. In de door het Uwv in zijn brief d.d. 13 oktober 2004 aan de rechtbank geschetste beoordeling van aanvragen van eigen personeelsleden, zijn naar het oordeel van de Raad voldoende waarborgen gelegen voor een objectieve claimbeoordeling en voor behoud van de privacy van deze personeelsleden. De gevalsbehandeling is geconcentreerd bij het cluster Eigen Personeel van de afdeling Bijzondere Zaken; de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die onder dit cluster ressorteren zijn uitsluitend belast met de beoordeling van eigen personeel. Naar ’s Raads oordeel is de organisatie zodanig dat er voldoende scheiding is tussen het Uwv als werkgever van appellant en het Uwv als uitvoerder van de WAO.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de belangenverstrengeling leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Uit de brief van dr. Van Leeuwaarde kan de Raad voorts niet afleiden dat appellant om medische redenen niet in staat zou zijn geweest op het spreekuur van de verzekeringsarts te verschijnen.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 april 2007.

(get.) R.C. Stam.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

RB2703