Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
05-3215 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3215 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 april 2005, 04/3495 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A. Busquet, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie van 5 juli 2005 van de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Busquet voornoemd. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren was bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was laatstelijk werkzaam als verkoopster stoffering in een woninginrichtingzaak en is op 17 oktober 2000 voor deze werkzaamheden uitgevallen met uiteenlopende klachten als gevolg van een haar overkomen auto-ongeluk. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is appellante met ingang van 16 oktober 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 6 maart 2003 is appellante in het kader van een eerstejaars herbeoordeling gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts J.A.C. de Bekker. Deze achtte appellante, blijkens zijn rapport van dezelfde datum, in staat tot het verrichten van werkzaamheden die de armen (met name links) en de nek ontzien. In verband hiermee formuleerde hij een aantal beperkingen en stelde hij een Functionele Mogelijkheden Lijst op. Op basis hiervan en met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige J.G. Theunissen functies geselecteerd. Theunissen concludeerde in zijn rapport van 18 september 2003 dat geen sprake was van enig voor de toepassing van de WAO relevant loonverlies.

In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 3 oktober 2003 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 26 november 2003 ingetrokken, omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%.

Het daartegen namens appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van

12 oktober 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verlopen en dat de medische belastbaarheid van appellante bij het bestreden besluit niet is overschat maar dat de motivering waarom appellante geschikt wordt geacht voor de geselecteerde functies, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeerde.

Nu in beroep bij de rechtbank alsnog de gewenst geachte onderbouwing is gegeven, heeft de rechtbank in het voetspoor van 's Raads uitspraken van 9 november 2004, LJN: AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722, met betrekking tot het CBBS het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten. De rechtbank heeft tevens bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellante heeft in hoger beroep voornamelijk grieven van medische aard aangevoerd. Zij beklaagt zich er in het bijzonder over dat de rechtbank is voorbijgegaan aan een rapportage van de radioloog H.T. Teng van 2 februari 2005 betreffende de uitkomst van een MRI-scan. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat deze rapportage geen ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding, nu de MRI-scan scheurtjes in haar nekwervels aan het licht heeft gebracht welke niet door slijtage, doch slechts door een ongeval, waarbij aanzienlijke kracht op haar nekwervels is uitgeoefend, veroorzaakt kunnen zijn.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad stelt voorop dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid - wat de medische component betreft - niet zozeer de klachten van een verzekerde, maar de objectiveerbare medische beperkingen doorslaggevend zijn.

De bezwaarverzekeringsarts De Brouwer heeft zich in zijn reactie van 5 juli 2005 gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de meergenoemde MRI-scan geen afwijkingen aan het licht heeft gebracht waaruit beperkingen kunnen worden afgeleid. Hij voegde daaraan toe dat de functieopnamen een niet beperkte beweeglijkheid van de nek lieten zien.

De Raad ziet geen grond om dit, onweersproken gebleven, standpunt van de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer voor onjuist te houden. Hetgeen overigens namens appellante is aangevoerd heeft de Raad evenmin aanleiding gegeven tot twijfel aan de juistheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als tot het oordeel dat de beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld.

Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien. Op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAO is immers niet beslissend de eigen opvatting van een verzekerde dat hij of zij niet meer (volledig) kan werken.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten.

De ter zitting namens appellante voorgedragen grief, inhoudende dat de arbeidsdeskundige bij de selectie van passende functies ten onrechte niet in overleg is getreden met de verzekeringsarts, ziet de Raad niet slagen. Nu uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke van 23 augustus 2004 blijkt dat Fokke zich met de aan appellante voorgehouden functies heeft kunnen verenigen, bestond er geen noodzaak tot zodanig overleg.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) J.J. Janssen