Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
06-1960 WWB + 06-3184 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wettelijke grondslag. Wel of geen discretionaire bevoegdheid.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 68
Algemene bijstandswet 69
Algemene wet bestuursrecht 8:70
Algemene wet bestuursrecht 8:70
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 167
RSV 2007, 176
ABkort 2007/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1960 WWB

06/3184 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (België) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 24 februari 2006, 05/529 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden, waaronder een nader besluit van 20 maart 2006.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007. Voor appellant is verschenen mr. Klein Hesselink. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande over de periode van 1 oktober 1998 tot en met 31 oktober 2003.

De sociaal rechercheurs N.G.A. Goossens en G.J.B.M. de Rechter hebben onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dit verband zijn appellant en getuigen gehoord, en zijn inlichtingen ingewonnen bij diverse instanties. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 februari 2004.

Bij besluit van 28 juli 2004 heeft het College de bijstand over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 oktober 2003 herzien (lees: ingetrokken) met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 41.864,98 van appellant teruggevorderd met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw.

Bij besluit van 12 mei 2005 heeft het College het tegen het besluit van 28 juli 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat appellant in de periode van

1 april 2000 tot en met 31 oktober 2003 niet in de gemeente Terneuzen heeft verbleven.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - op het ingestelde beroep als volgt beslist:

“verklaart het beroep gegrond voor zover het zich richt tegen de toepassing van de Abw met betrekking tot herziening van het recht op bijstand en tot terugvordering van het ten onrechte uitgekeerde;

vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;”

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Op 20 maart 2006 heeft het College nader besloten de bijstand over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 oktober 2003 te herzien (lees: in te trekken) met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 41.864,98 van appellant terug te vorderen met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt - ambtshalve - vast dat de rechtbank, in overeenstemming met de uitspraak van de Raad van 21 april 2005, LJN AT4358, terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het College in dit geval de intrekking en terugvordering niet had mogen baseren op de artikelen 69 en 81 van de Abw maar dat de per 1 januari 2004 in werking getreden artikelen 54 en 58 van de WWB hier van toepassing zijn. De rechten en verplichtingen van appellant dienen daarentegen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben. Het vorenstaande betekent dat het besluit van 12 mei 2005 op een onjuiste bevoegdheidsgrondslag berust. Nu, anders dan de artikelen 69 en 81 van de Abw, de artikelen 54 en 58 van de WWB voorzien in discretionaire bevoegdheden, is sprake van een aan een besluit op bezwaar klevend gebrek dat met toepassing van de artikelen 8:70, aanhef en onder d, en 8:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot gegrondverklaring van het beroep en tot gehele vernietiging van het besluit van 12 mei 2005 wegens strijd met de wet had behoren te leiden. Door het beroep gegrond te verklaren voor zover het de toepassing van de Abw betreft, het bestreden besluit in zoverre te vernietigen en het beroep voor het overige ongegrond te verklaren, heeft de rechtbank in strijd met de artikelen 8:70 en 8:72 van de Awb gehandeld en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd, behoudens voor zover daarin is beslist omtrent proceskosten en griffierecht.

De Raad merkt het besluit van 20 maart 2006 aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling moet worden betrokken. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat de woonplaats van appellant ten tijde in geding niet Terneuzen was, zodat appellant jegens het College geen recht op bijstand had.

De Raad stelt - eveneens ambtshalve - vast dat het College zijn besluit van 12 mei 2005 niet langer heeft gehandhaafd, dat het besluit van 20 maart 2006 daarvoor geheel in de plaats is getreden en dat appellant niet om schadevergoeding heeft verzocht. Een en ander brengt mee dat het procesbelang bij het beroep tegen het besluit van 12 mei 2005 inmiddels is vervallen, zodat de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, dat beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.

Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 20 maart 2006 overweegt de Raad het volgende.

De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de Abw dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Op grond van de onderzoeksgegevens van de sociaal rechercheurs Goossens en De Rechter is naar het oordeel van de Raad genoegzaam komen vast te staan dat appellant in de periode van 1 april 2000 tot en met 31 oktober 2003 hoofdzakelijk in [woonplaats] verbleef, en daar studeerde en werkte. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet meer worden gesproken van een tijdelijk verblijf elders dat niet tot wijziging van de woonplaats als bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de Abw leidt. Daaraan kan niet afdoen dat appellant in die periode incidenteel nog de door hem aangehouden woning in Terneuzen bezocht. Hieruit volgt dat appellant op grond van artikel 63, eerste lid, van de Abw ten tijde in geding niet langer recht op bijstand jegens het College had.

Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de wijziging van zijn woonplaats niet eigener beweging te melden aan het College. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat de tijdens de hier van belang zijnde periode wel door appellant verstrekte informatie over zijn woon- en leefsituatie onvolledig en onjuist is geweest. In dit licht bezien kan het gegeven dat niet eerder nader onderzoek naar de feitelijke situatie is verricht niet aan het College worden tegengeworpen.

Het vorenstaande betekent dat het College bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant verleende bijstand over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 oktober 2003 in te trekken. Blijkens artikel 2, aanhef en onder a, van de door het College aan de Raad gezonden Beleidsregels gaat het College in gevallen van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting steeds tot intrekking of herziening van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand over. Naar het oordeel van de Raad gaat deze beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van de beleidsregel had moeten afwijken.

Met het vorenstaande is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand over de hier in geding zijnde periode van appellant terug te vorderen. Blijkens artikel 4, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 6 van de door het College aan de Raad gezonden Beleidsregels gaat het College steeds tot terugvordering van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand over, tenzij een dringende reden aanwezig is. Naar het oordeel van de Raad gaat deze beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten, voor zover deze ziet op gevallen, zoals hier aan de orde, waarin sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.

In het voorliggende geval wordt vastgesteld dat het College heeft gehandeld overeenkomstig zijn beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van zijn beleidsregels had moeten afwijken. Het besluit van 20 maart 2006 voor zover dat ziet op terugvordering van bijstand, dient dan ook in stand te blijven.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij is beslist omtrent proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 mei 2005 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 maart 2006 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Terneuzen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Terneuzen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.H.M. Roelofs

en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.C. Palmboom.

RB2103