Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2792

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
05-1291 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1291 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]n (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2005, 03/4603 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft zich laatstelijk op 4 januari 2001 met psychische klachten ziek gemeld. Op dat moment ontving hij wachtgeld. Na medisch en arbeidskundig onderzoek kende het Uwv appellant bij besluit van 28 juni 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 9 september 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Aangezien niet kon worden vastgesteld dat appellant in de gelegenheid is gesteld om op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden gehoord en voorts het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet berustte op een kenbare motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter, nu haar niet is gebleken dat het Uwv in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellant, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

Het hoger beroep richt zich tegen het door de rechtbank in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. In dat kader heeft appellant aangevoerd dat het Uwv bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn lichamelijke en psychische beperkingen.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad kent evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Appellant is op 13 november 2001 onderzocht door verzekeringsarts R.W. Broekhuijsen. Op verzoek van verzekeringsarts Broekhuijsen heeft psychiater dr. H.N. Sno appellant onderzocht en zijn bevindingen neergelegd in zijn rapport van 14 februari 2002. Psychiater Sno heeft vastgesteld dat op de datum in geding sprake was van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming en van een persoonlijkheidsstoornis met schizoïde kenmerken. Bezwaarverzekeringsarts

J.L. Waasdorp heeft appellants belastbaarheid in de bezwaarfase opnieuw bezien en heeft de door verzekeringsarts Broekhuijsen vastgestelde beperkingen onderschreven. De Raad is van oordeel dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in voldoende mate rekening is gehouden met de hieruit voor appellant voorvloeiende beperkingen.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant een rapport van psychiater

M.L. Frohn-De Winter van 8 april 2005 in het geding gebracht. In reactie op dit rapport heeft bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen aangegeven dat de bevindingen van psychiater Frohn-De Winter geen nieuw licht werpen op de belastbaarheid van appellant zoals deze in de FML tot uitdrukking is gebracht. Met bezwaarverzekeringsarts Wijnen is ook de Raad van oordeel dat dit rapport niet tot nieuwe gezichtspunten heeft geleid.

Tenslotte stelt de Raad vast dat het Uwv, op verzoek van de Raad, eerst bij brief van

19 december 2006 – en derhalve pas in hoger beroep – de schatting heeft voorzien van een zodanige deugdelijke toelichting en motivering dat op grond daarvan voldoende inzicht werd geboden in en een voldoende mogelijkheid tot toetsing werd verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen waarop de schatting berust. In lijn met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR 4716 en volgende) brengt het vorenstaande de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit ook om die reden terecht is vernietigd. De Raad is evenwel van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb terecht in stand zijn gelaten.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, onder verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 102,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) W.R. de Vries.