Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2782

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
12-04-2007
Zaaknummer
06-4196 WWB.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Is Raad kennelijk niet bevoegd om van hoger beroep kennis te nemen? Nader onderzoek nodig naar rechtvaardiging doorbreking appèlverbod. Verzet gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4196 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 juli 2006, 05/838 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk (hierna: College).

Datum uitspraak: 29 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van

10 oktober 2006 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om van het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak kennis te nemen.

Tegen voornoemde uitspraak heeft appellant verzet gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Bij uitspraak van 21 maart 2006 heeft de rechtbank na vereenvoudigde behandeling het door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het besluit van het College van 24 maart 2005 zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand van 23 januari 2005 niet in behandeling te nemen. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar haar eerdere tussen partijen gewezen uitspraak van 30 december 2004, LJN AZ0923, en vastgesteld dat aan het thans aanhangige geding een aanvraag ten grondslag ligt die betrekking heeft op kosten die vergelijkbaar zijn met kosten waarover al eerder een onherroepelijk rechterlijk oordeel is gegeven.

Bij de aangevallen uitspraak van 5 juli 2006 is het verzet tegen de uitspraak van 21 maart 2006 ongegrond verklaard.

In zijn uitspraak van 10 oktober 2006 heeft de Raad zich kennelijk onbevoegd geacht om van het tegen de uitspraak van 5 juli 2006 ingestelde hoger beroep kennis te nemen op grond van het bepaalde in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet, omdat de aangevallen uitspraak is gedaan met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb en tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep kan worden ingesteld.

Het karakter van de procedure die is neergelegd in artikel 8:54 van de Awb brengt mee dat slechts in evidente gevallen van de aldaar gegeven bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. In dit verband is van belang dat voor kennisneming door de Raad van een hoger beroep in weerwil van artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet naar vaste rechtspraak grond kan bestaan, indien bij de totstandkoming van de aangevallen uitspraak sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.

Op grond van de thans beschikbare gegevens kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat hij kennelijk niet bevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. Of doorbreking van het appèlverbod in dit geval al dan niet gerechtvaardigd is, zal nader door de Raad moeten worden onderzocht mede in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het verzet dient daarom met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, derde lid, van de Awb gegrond te worden verklaard. Gegeven het bepaalde in het zevende lid van laatstbedoeld artikel vervalt de uitspraak waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Ten overvloede en ter voorlichting van appellant overweegt de Raad nog dat uit het vorenstaande niet reeds voortvloeit dat hij bevoegd is in hoger beroep van de zaak kennis te nemen. Het betekent slechts dat de bevoegdheid van de Raad in deze zaak nader moet worden bezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.N. Rijnsewijn.