Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
06-1964 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Verzwegen bankrekening. Overschrijding vermogensgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1964 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 februari 2006, 05/1936 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Coenen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. B.A. Palm, kantoorgenoot van mr. Coenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving ten tijde hier van belang van het College bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van gegevens van de Belastingdienst, waaruit blijkt dat op naam van appellante een voor het College onbekende bankrekening is gesteld, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand.

De bevindingen van dit onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 1 februari 2005 de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2003 tot en met 20 december 2003 te herzien (lees: in te trekken) en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 12.831,23 van haar terug te vorderen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante heeft verzwegen dat zij beschikte over een vermogen boven de vermogensgrens als bedoeld in artikel 54, aanhef en onder a, van de Abw.

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft het College het tegen het besluit van 1 februari 2005 gemaakte bezwaar ongegrond te verklaren.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

8 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat appellante in de in geding zijnde periode houdster was van een (verzwegen) bankrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer]. Het College heeft aan de hand van de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens onbetwist vastgesteld dat het saldo op deze bankrekening, tezamen met het saldo op de bij het College bekende bankrekening, op 31 december 2002 € 14.114,00 bedroeg en op

31 december 2003 € 16.825,00.

Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een betrokkene een tegoed bevat de vooronderstelling dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. Appellante heeft aangevoerd dat het College er ten onrechte van uitgaat dat het tegoed op de (verzwegen) bankrekening ook daadwerkelijk aan haar toebehoorde. Het saldo komt naar haar zeggen in het geheel toe aan haar zonen, die haar gevraagd hebben de gelden voor hen te beheren. Appellante heeft haar verklaring niet onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens.Uit de met betrekking tot de bankrekening beschikbare gegevens en de door appellante afgelegde verklaring blijkt voorts dat appellante rekeninghoudster was en niemand als gemachtigde had aangewezen.

Van in aanmerking te nemen negatieve vermogensbestanddelen is niet gebleken, zodat vastgesteld moet worden dat appellante in de in geding zijnde periode de beschikking had over een vermogen dat de grens, bedoeld in artikel 54, aanhef en onder a, van de Abw overschreed.

Door van dit vermogen geen melding te maken bij het College heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden. De omstandigheid dat appellante, naar zij zelf stelt, analfabeet is, maakt naar het oordeel van de Raad niet dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij de betreffende bankrekening niet bij het College heeft gemeld. Het had dan immers op haar weg gelegen de nodige hulp van haar zonen te vragen bij het verstrekken van de gevraagde gegevens.

Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2003 tot en met 20 december 2003 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over te gaan.

De Raad gaat er onder verwijzing naar zijn uitspraak van 30 januari 2007 (LJN AZ8022) voorts van uit dat het College het beleid voert dat in de gevallen, bedoeld in artikel 58 en 59 van de WWB, in beginsel wordt teruggevorderd, en dat van terugvordering kan worden afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan een door of namens het College nader vast te stellen bedrag, de vordering niet is ontstaan door het bij recidive niet nakomen van de inlichtingenverplichting van artikel 17 van de WWB, of hiertoe een dringende reden aanwezig is. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, althans voor zover het betreft de (mede)terugvordering van bijstand die als gevolg van een herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in een situatie waarin - zoals in het geval van appellante - geen sprake is van recidive, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn beleid tot - volledige - terugvordering van appellante heeft besloten en evenmin dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van het beleid (geheel of gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.C. Palmboom.