Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2752

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
05-4191 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, geldigheid: 2007-04-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4191 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 mei 2005, 04/2945 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het hoger beroep van appellant zich richt tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigd bestreden besluit van 21 oktober 2004 geheel in stand zijn gebleven.

Genoemd bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 28 februari 2004, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv op grond van voldoende medische onderzoekgegevens op adequate en zorgvuldige wijze de door appellant geuite klachten heeft beoordeeld en gemotiveerd appellants beperkingen heeft vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

In zijn hoger beroepschrift van 2 juli 2005 maakt appellant er melding van dat inmiddels is gebleken dat zijn meeste klachten te verklaren zijn uit de diagnose die bij hem gesteld is, namelijk suikerziekte. Hierdoor moet hij dagelijks medicijnen slikken. De prognose is dat zijn klachten in de toekomst alleen maar erger worden. Appellant is de mening toegedaan geen werkzaamheden meer te kunnen verrichten.

Bezwaarverzekeringsarts S. Gommers heeft hierop in zijn rapport van 7 september 2005 gereageerd en gesteld dat het heel goed mogelijk is dat appellants vermoeidheidsklachten en gebrek aan uithoudingsvermogen hun oorzaak vinden in de vastgestelde diagnose diabetes mellitus. In algemene zin is bij deze ziekte aangewezen dat er energetisch niet te zware werkzaamheden worden voorgehouden, welke kunnen worden verricht in een zekere regelmaat. Echter, zo stelt de bezwaarverzekeringsarts, een op medicatie ingestelde diabetes mellitus leidt op zichzelf zeker niet tot een werkverbod of volledige arbeidsongeschiktheid. De bezwaarverzekeringsarts merkt voorts op dat er al beperkingen ten aanzien van de fysieke belastbaarheid in de opgestelde FML aangenomen zijn en dat hij deze nog steeds onveranderd van toepassing vindt.

De Raad kan zich, nu appellant geen andere medische gegevens heeft ingebracht, vinden in dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts en ziet ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellants beperkingen ten aanzien van arbeid zijn onderschat.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad als volgt.

In beroep heeft bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg twee aan appellant voorgehouden functies laten vervallen vanwege een overschrijding op het item reiken. Hierdoor resteren er zes aan appellant voorgehouden functies, waarbij de drie hoogst verlonende functies die van meteropnemer, archiefmedewerker en parkeercontroleur zijn.

Ten aanzien van het aspect tillen heeft de primaire verzekeringsarts H. Derix in de FML aangegeven dat appellant in staat is normaal, dit wil zeggen ongeveer 15 kg, te tillen, met als toelichting dat dit zeer sporadisch mogelijk is.

De Raad stelt vast dat uit de omschrijving van de werkzaamheden bij de functie meteropnemer valt op te maken dat deze enkele keren per week een betonnen deksel van ongeveer 25 kg moet optillen.

Bezwaararbeidsdeskundige Van den Berg heeft deze, toch aanzienlijke overschrijding in gewicht, als volgt gemotiveerd:

“Het tillen van een zware deksel acht ik geen probleem. Sporadisch is die tilbelasting toegestaan. De knijpkracht is kortdurend aanwezig. Het lichten van een deksel zal gaan, mits gebruik wordt gemaakt van linker hand, gesteund door rechts. De lichtere tilbelasting in deze en andere functies acht ik passend.”

De Raad is van oordeel dat een dergelijke grote afwijking in een functie van de in de FML vastgelegde belastbaarheid slechts dan aanvaardbaar is indien deze van een inzichtelijke en overtuigende motivering wordt voorzien. Die onderbouwing moet buiten twijfel stellen dat en waarom het betreffende belastingsaspect toch voor betrokkene haalbaar kan worden geacht.

De Raad is van oordeel, zoals ook van de zijde van het Uwv ter zitting is toegegeven, dat de motivering van de functie meteropnemer daaraan niet voldoet.

Zoals ter zitting besproken, wordt met het wegvallen van de functie meteropnemer de archiefmedewerker de mediane functie. Voorts moet nu de vierde voorgehouden functie productiemedewerker textiel bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid betrokken worden. Het resultaat is echter dat appellant onveranderd in de klasse minder dan 25% arbeidsongeschiktheid blijft, zodat hem terecht met ingang van 28 feburari 2004 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschikheidsverzekering zelfstandigen is onthouden.

Uit het vorengemelde vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigd de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.