Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
05-1931 WAO + 05-3719 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting 15-25%. Bij nader besluit 25-35%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1931 WAO + 05/3719 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 februari 2005, 04/317 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, thans advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft vervolgens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts van 3 juni 2005 ingezonden. Tevens legde het Uwv een gewijzigd besluit op bezwaar van 8 juni 2005 over.

De gemachtigde van appellant heeft op 17 november 2005 een op haar verzoek uitgebracht rapport van de verzekeringsarts P.H. Storms van 27 oktober 2005 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007.

Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door B.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als internationaal chauffeur gedurende 45 uur per week, toen hij op 27 november 2001 uitviel met rugklachten. Bij het primaire besluit van 19 juni 2003 heeft het Uwv appellant met ingang van 26 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het tegen dit primaire besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 1 maart 2004 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard. Het tegen besluit 1 door appellant ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Bij het in rubriek 1 van deze uitspraak vermelde besluit van 8 juni 2005 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv in feite besluit 1 ingetrokken. Besluit 2 houdt in dat het bezwaar van appellant gegrond wordt verklaard en dat hem met ingang van 26 november 2002 een WAO-uitkering wordt toegekend, welke wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Gelet op hetgeen van de zijde van appellant aan grieven tegen de aangevallen uitspraak naar voren is gebracht, gaat de Raad er vanuit dat met besluit 2 niet volledig aan het beroep van appellant tegen besluit 1 is tegemoet gekomen. Om deze reden wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Uit het vorenoverwogene volgt in het licht van de vaste jurisprudentie van de Raad ter zake dat ook in het onderhavige geval het belang van appellant bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit 1 in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding.

De gemachtigde van appellant heeft in hoger beroep verzocht om toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Dit verzoek begrijpt de Raad, gelet op het verhandelde ter zitting, als een verzoek om schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente. Het procesbelang als evenbedoeld is derhalve niet komen te vervallen.

Nu vaststaat dat in besluit 1 de WAO-uitkering van appellant met ingang van

26 november 2002 ten onrechte is gesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, zal de Raad besluit 1 en de aangevallen uitspraak vernietigen.

Met betrekking tot het beroep dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2 overweegt de Raad als volgt.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een WAO-uitkering is hij op 14 april 2003 onderzocht door de verzekeringsarts W.C.A. Schaaphok. Blijkens het hiervan op dezelfde dag opgemaakte rapport achtte Schaaphok appellant beperkt voor zware rugbelasting en statische belasting in met name de vorm van langdurig aaneenzitten. Schaaphok legde zijn bevindingen vast in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

14 april 2003. Op basis hiervan werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieselectie het verlies aan verdienvermogen berekend op 24,90%. Hierna nam het Uwv het hiervoor vermelde primaire besluit.

In de bezwaarprocedure legde appellant op de hoorzitting informatie van de behandelend sector over. De bezwaarverzekeringsarts J. van der Leij concludeerde in zijn rapport van 13 januari 2004 naar aanleiding van deze informatie, waarvan hij in het bijzonder vermeldde de brief van de arts-coördinator van de Rugschool van het Academisch Ziekenhuis Groningen van 22 oktober 2002, het aannemelijk te achten dat appellant op de datum in geding tevens was beperkt voor nekbelastende activiteiten. Met het oog hierop paste Van der Leij de FML aan, hetgeen voorafgaand aan het nemen van besluit 1 leidde tot een, blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam van 6 februari 2004 op basis van de arbeidsmogelijkhedenlijst met printdatum 6 februari 2004, gewijzigde functieduiding met als uitkomst dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse als bij het primaire besluit gehanteerd.

Naast het rapport van Van der Leij ligt aan besluit 2 ten grondslag het in rubriek 1 van deze uitspraak vermelde rapport van Coerts van 3 juni 2005. Volgens Coerts dienden een aantal van de aanvankelijk in de bezwaarprocedure geselecteerde functies te vervallen en resteerden er nog vier functies. Na bespreking van de belastende factoren in deze functies in het licht van de bijgestelde FML, berekende hij het verlies aan verdienvermogen op basis van de middelste van de drie hoogst verlonende functies en met inachtneming van een reductiefactor van 0,80 op 32,93%.

De Raad heeft geen aanleiding gezien de medische grondslag van besluit 2 rechtens voor onjuist te houden. Daartoe overweegt de Raad dat Van der Leij de aanvulling van de FML juist heeft gegeven naar aanleiding van de ter hoorzitting door appellant overgelegde medische informatie. Anders dan de gemachtigde van appellant heeft gesteld, is deze informatie derhalve wel degelijk in de aan besluit 2 ten grondslag gelegde beoordeling betrokken. Met betrekking tot het na het nemen van besluit 2 door de gemachtigde van appellant overgelegde en in rubriek 1 van deze uitspraak vermelde rapport van Storms, waarin deze op een aantal onderdelen appellant meer beperkt acht dan in de aangepaste FML, waarin hij zich overigens grotendeels kon vinden, overweegt de Raad dat Storms alleen telefonisch met appellant heeft gesproken, maar appellant niet zelf heeft onderzocht. Ter onderbouwing van de door hem bepleite aanscherping van de FML op een zestal onderdelen wees Storms op de consistentie tussen de gevonden afwijkingen en de klachten, maar vermeldde hij ook dat het opviel dat bij diverse onderzoeken de beweeglijkheid van de rug toch steeds tamelijk goed was en dat ook wel enig pijngedrag vastgesteld was. Al met al ziet de Raad in dit rapport onvoldoende aanknopingspunten om met Storms aan te nemen dat appellant op de datum in geding verdergaand beperkt was dan door Van der Leij in de aangepaste FML was weergegeven.

De Raad overweegt voorts dat naar zijn oordeel in het rapport van Coerts de geschiktheid van appellant voor de drie aan besluit 2 ten grondslag gelegde functies inpakker (SBC-code 111190), magazijn, expeditiewerker (SBC-code 111220) en portier, toezichthouder (SBC-code 342021) afdoende is gemotiveerd.

De Raad komt tot de slotsom dat, mede bezien in het licht van artikel 8:69 van de Awb, besluit 2 in rechte standhoudt, zodat het mede daartegen gericht geachte beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om in verband met de hiervoor besproken vernietiging van besluit 1 en de aangevallen uitspraak op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op

€ 41,80 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 363,80.

Wat betreft de procedure bij de rechtbank is de Raad niet gebleken van proceshandelingen die van vergoeding via het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen.

Ten aanzien van de bij het rapport van Storms gevoegde factuur ten bedrage van € 137,50 overweegt de Raad dat deze post niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat dit rapport eerst na het nemen van besluit 2 is opgemaakt en blijkens het hiervoor overwogene het mede tegen besluit 2 gericht geachte beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad overweegt voorts dat uit de vernietiging van besluit 1 en het nemen door het Uwv van besluit 2 volgt dat het Uwv nalatig is gebleven uitkering te betalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% vanaf 26 november 2002. Uit 's Raads uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314, volgt dat de eerste dag waarop het Uwv in dit geval over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is, gesteld moet worden op 1 december 2002, alsook dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Voorts overweegt de Raad dat bij de berekening van de wettelijke rente, als vorenbedoeld, rekening dient te worden gehouden met hetgeen het Uwv krachtens een sociale zekerheidswet over hetzelfde tijdvak als waarop de nabetaling van de uitkering betrekking heeft, bruto heeft moeten verrekenen of aan derden bruto heeft moeten uitbetalen. De Raad zoekt daarbij aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 22 september 1995, gepubliceerd in JB 1995/275.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 363,80 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2007