Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2727

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
05-259 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/259 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 december 2004, 04/1077 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nog een brief van 2 mei 2005 waarin verwezen wordt naar een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007 waar, zoals tevoren schriftelijk is meegedeeld, appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster huishoudelijke diensten.

Zij heeft op 26 mei 2000 dit werk moeten staken wegens rug- en schouderklachten alsmede spanningsklachten.

Bij besluit van 11 juni 2001 is, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat appellante geschikt wordt geacht om gangbaar werk te verrichten en derhalve niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet valt te beschouwen. Op 13 mei 2003 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld vanwege toename van haar psychische klachten. Verzekeringsarts W.M. van der Boog heeft appellante op 30 juni 2003 onderzocht en heeft informatie ingewonnen bij psychiater S. Linsen. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft deze arts een aantal medische beperkingen vastgesteld die vervolgens zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Met inachtneming van de FML heeft arbeidsdeskundige R.J.F. van Doorn functies geselecteerd, waarmee appellante een zodanig inkomen kan verdienen dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.

Bij besluit van 25 september 2003 is dienovereenkomstig aan appellante meegedeeld dat haar, nadat zij vier weken arbeidsongeschikt is geweest, met ingang van 10 juni 2003 een WAO-uitkering wordt geweigerd omdat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Bij besluit van 13 april 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv mede op basis van de conclusie van bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke dat de primaire verzekeringsarts tot een zorgvuldig gewogen en juist oordeel is gekomen, het tegen het primaire besluit gemaakt bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep houdt appellante haar eerdere stellingen, zoals in bezwaar en beroep aangevoerd, staande.

In hoger beroep heeft het Uwv naast een verweerschrift nog een rapport van bezwaararbeidsdeskundige, G.C. van Welzenis, d.d. 6 april 2005 overgelegd. In dit rapport heeft deze bezwaararbeidsdeskundige nog een toelichting gegeven op in een aantal functies voorkomende deadlines en productiepieken. Tevens is aangegeven dat de in de functies voorkomende belasting, de in de rubrieken III tot en met VI van de FML vastgestelde beperkingen niet overschrijdt.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven dat deze conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige een nadere toelichting behoeft, nu appellante op het item reiken tijdens het werk licht beperkt is, terwijl in een aantal functies per uur een hogere reikfrequentie voorkomt. Ook de in de functies voorkomende belasting qua deadlines en productiepieken behoeft nadere uitleg. Vervolgens heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven dat, indien de functies waarbij beide items voorkomen, buiten beschouwing worden gelaten, er voldoende functies van de reeds geselecteerde functies resteren om de schatting onveranderd te kunnen dragen. Met de functies productiemedewerker industrie (samensteller van producten (sbc-code 111180), productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en huishoudelijke medewerker (sbc-code 111333), waarbij uitgegaan wordt van een mediaan van € 9,39, wordt in vergelijking met het maatmaninkomen van € 9,37 een zodanig verlies aan verdiencapaciteit gerealiseerd, dat daarmee de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd minder dan 15% blijft.

Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare medische gegevens, waaronder de rapportage van de (bezwaar)verzekeringsartsen, alsook de overgelegde informatie van de psychiater Linsen, geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. Door appellante zijn geen objectief-medische gegevens in het geding gebracht die aanleiding geven tot zodanige twijfel.

Naar aanleiding van de door de gemachtigde van het Uwv ter zitting gegeven nadere toelichting staat voor de Raad vast dat de belasting van de voor appellante door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zoals hiervoor is vermeld, de in de FML vastgelegde belastbaarheid niet overschrijdt en dat aldus die functies geschikt zijn voor appellante.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat op goede gronden WAO-uitkering aan appellante is geweigerd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos

(get.) W.R. de Vries.