Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2510

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
04-2348 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Eerst in hoger beroep juiste functies voorgehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/2348 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 maart 2004, 03/2255 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 6 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Deuzen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was tot zijn uitval op 19 februari 1996 werkzaam als kok.

Aan appellant is per 22 februari 1997 een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Per 22 februari 2002 is de arbeidsongeschiktheid van appellant opnieuw bezien. Bij besluit van 10 september 2002, zoals gehandhaafd bij besluit van 31 december 2002, is de uitkering die appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving en die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

25 tot 35%, ongewijzigd voortgezet.

Bij besluit van 21 februari 2003 heeft het Uwv geweigerd per 3 januari 2003 de WAO-uitkering van appellant te herzien. Het Uwv was, anders dan appellant, van opvatting dat ook per 3 januari 2003 de WAO-uitkering van appellant dient te worden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van 12 augustus 2003 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 21 februari 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 12 augustus 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de door appellant aangevoerde gronden tegen het besluit van 12 augustus 2003 geen doel treffen. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv, volgend de (bezwaar)verzekeringsarts, uitgegaan van de juiste bij appellant bestaande beperkingen van medische aard tot het verrichten van werkzaamheden. Ook heeft het Uwv, volgend de (bezwaar)arbeidsdeskundige, terecht aangenomen dat appellant de hem voorgehouden functies kan vervullen en hiermee een zodanig inkomen kan verdienen dat hij voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

In hoger beroep heeft appellant zich kort samengevat op het standpunt gesteld dat de beperkingen die hij heeft ernstig zijn onderschat. Naar zijn mening kan hij slechts lichte huishoudelijke werkzaamheden verrichten, kan hij maximaal 2,5 à 3 kg tillen, wordt hij geplaagd door een lui oog, heeft hij last van zijn luchtwegen, zijn rug en zijn heup en lijdt hij aan een te hoge bloeddruk en heeft hij diabetes. Als gevolg hiervan kan hij naar zijn mening de hem voorgehouden functies niet vervullen.

Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de hem voorgehouden functies ook niet passen binnen de voor hem door het Uwv vastgestelde beperkingen.

De Raad overweegt als volgt.

Uit de gedingstukken, waaronder de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts en de functionele mogelijkhedenlijst, blijkt dat het Uwv appellant op een aanzienlijk aantal punten beperkt heeft geacht. Appellant mag geen zware werkzaamheden verrichten, niet werkzaam zijn in extreem stoffige ruimten en wordt als functioneel-eenogig beschouwd.

Bij het vaststellen van de beperkingen van appellant is rekening gehouden met informatie verkregen van de zenuwarts

H.M. Vingerhoets, de internist K.J. Parlevliet, de cardioloog R. van Nieuwenhuizen, de neuroloog P.J.M. van Wensen, de oogarts S. Blankenberg-Sprenkels en de huisarts W.M. Ouburg. Voorts zijn in de beschouwingen betrokken de verslagen van een thoraxfoto, een longfunctieonderzoek en een röntgenonderzoek van de lumbale wervelkolom en het bekken.

Het is de Raad niet gebleken dat van de zijde van het Uwv de van derden verkregen medische informatie is miskend. Uit deze informatie blijkt naar het oordeel van de Raad geenszins dat appellant meer of anders is beperkt dan door het Uwv is aangenomen.

De eigen – niet door een verklaring van een medicus ondersteunde – opvatting van appellant omtrent zijn gezondheidstoestand en de beperkingen die hieruit voor het verrichten van arbeid voortvloeien, doen aan het vorenstaande niet af.

De grieven van appellant die er kort samengevat op neer komen dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat, treffen mitsdien geen doel.

Het is de Raad voorts niet gebleken dat appellant – uitgaande van de door het Uwv vastgestelde beperkingen – de hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.

In een aantal aan de schatting ten grondslag liggende functies komen belastingen voor, waarvoor voor appellant beperkingen gelden.

In een aantal functies is sprake van een enigszins stoffige omgeving en/of tempodruk. De bezwaararbeidsdeskundige heeft toegelicht waarom deze belastingen de mogelijkheden van appellant niet overschrijden. Hij heeft erop gewezen dat er in de functies geen sprake is van grote hoeveelheden/concentraties van dwarrelend stof en dat het handelingstempo in de functies – er is sprake van eenvoudige, sterk routinematige taken – de mogelijkheden van appellant niet te boven gaan.

In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, hetwelk met name rust op een eigen interpretatie van de in de functies voorkomende belastingen, ziet de Raad geen aanleiding de deugdelijk onderbouwde en inzichtelijke opvatting van de bezwaararbeidsdeskundige op deze punten voor onjuist te houden.

Ten aanzien van de aanwezigheid van stof wijst de Raad nog op de rapportage van de verzekeringsarts van 23 januari 2003, waarin slechts is vermeld dat appellant niet in extreem stoffige ruimten mag werken.

Ook appellants stelling omtrent het in twee functies voorkomende priegelwerk volgt de Raad niet. De functie printmonteur is in bezwaar – omdat in deze functie priegelwerk voorkomt – niet als geschikt voor appellant aangemerkt. In deze functie diende de gehele dag zeer kleine details te worden gezien en was een zeer goede oog-handcoördinatie vereist. Het is de Raad niet gebleken dat in de wél voor appellant geschikt geachte functies dit soort werkzaamheden voorkomen.

De Raad laat daar of de functies vallende binnen de SBC-code 342022 (parkeercontroleur) voor appellant – gelet op het door hem gestelde omtrent de aanwezigheid van gassen en dampen en de verplichting in wisselende diensten te werken – geschikt zijn. De schatting kan ook worden gedragen door de overige voor appellant geschikt geachte functies.

Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel.

De Raad ziet, nu het Uwv eerst in hoger beroep appellant de juiste functies heeft voorgehouden, aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op in totaal

€ 1.288,- voor verleende rechtsbijstand en € 16,40 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.304,40, -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemerverzekeringen het door appellant in beide instanties betaalde griffierecht van in totaal € 133,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J. Janssen.