Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
05/285 WAO + 05/418 WAO + 07/400 WAO en 07/1008 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Weigering WAO-uitkering te heropenen. Nader besluit indeling in WAO-klasse 15-25%. Schade ten gevolge van te late herkeuring?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/285 WAO, 05/418 WAO, 07/400 WAO en 07/1008 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 december 2004, 03/725 en 04/62 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, nadien aangevuld met een arbeidskundige rapportage.

Het Uwv heeft desgevraagd ontbrekende stukken ingezonden en vragen van de Raad beantwoord.

Het Uwv heeft andermaal nadere stukken ingezonden, waaronder afschriften van een tweetal nieuwe besluiten op bezwaar, gedateerd 10 en 11 januari 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft in 1990 een motorongeluk gehad, als gevolg waarvan zij klachten heeft overgehouden van bekkeninstabiliteit, rugklachten, knieklachten en klachten van urine-incontinentie. Als gevolg van een toename van deze klachten is appellante op 28 december 1998 uitgevallen voor haar in een omvang van 32 uur per week verrichte werkzaamheden als ziekenverzorgster. Ingaande 10 januari 2000 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gelet op de uitkomsten van de zogeheten eerstejaars herbeoordeling, heeft het Uwv deze uitkering bij besluit van 2 januari 2003, hierna: besluit 1, ingetrokken met ingang van 24 februari 2003, op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellante is afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 16 juli 2003, hierna: bestreden besluit I, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 5 juni 2003, hierna: besluit 2, heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering te heropenen, daar appellante ongewijzigd minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij besluit van 6 januari 2004, hierna: bestreden besluit II, heeft het Uwv ook het bezwaar van appellante tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de tegen besluiten I en II ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de door appellante tegen de medische grondslag van de bestreden besluiten aangevoerde grieven, heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het medisch oordeel van het Uwv onzorgvuldig tot stand is gekomen of niet voldoende is gemotiveerd.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de klachten van appellante, samenhangend met haar bekkeninstabiliteit, in zoverre zij medisch geobjectiveerd zijn, zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). In bezwaar (de Raad begrijpt: tegen besluit 1) is voorts door de bezwaarverzekeringsarts nog de verergering van de knieklachten - welke in het kader van de voorbereiding van besluit 2 had geleid tot aanscherping van de aan besluit 1 ten grondslag gelegde FML - bij de beoordeling betrokken.

Appellante heeft, aldus de rechtbank, geen objectief medisch onderbouwde informatie overgelegd op grond waarvan twijfel rijst aan de juistheid en volledigheid van de in aanmerking genomen beperkingen.

Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat onbetwist is dat appellante, uitgaande van de beperkingen als verwoord in de FML, in staat is tot het vervullen van de geduide functies, en dat niet is gebleken dat dit niet juist zou zijn.

Appellante heeft in hoger beroep in de eerste plaats staande gehouden dat haar verschillende klachten onderbelicht zijn gebleven. Het Uwv heeft haar toegenomen klachten volgens appellante onvoldoende serieus genomen. Voorts heeft appellante gesteld dat het Uwv haar twee jaar te laat heeft herkeurd, dat zij als gevolg daarvan haar baan heeft verloren en “in de Werkloosheidswet is terechtgekomen” en dat zij het Uwv verantwoordelijk houdt voor het hieruit voortgevloeide inkomensverlies. Verder heeft appellante als grief geuit dat zij geen volledige vergoeding voor de kosten van omscholing tot medisch secretaresse heeft gekregen van het Uwv en dat zij ter zake zelf een bedrag van € 2000,-- heeft moeten bijbetalen. Appellante betwist tot slot dat zij de in aanmerking genomen functies kan vervullen.

Bij besluit van 10 januari 2007 heeft het Uwv alsnog het bezwaar tegen besluit 1 gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellante met ingang van 24 februari 2003 herzien naar 15 tot 25%. Hieraan ten grondslag ligt dat bij een nadere beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante naar aanleiding van vragen van de Raad, alsnog een van de bij de schatting gebruikte functies is komen te vervallen, als gevolg waarvan de resterende verdiencapaciteit lager werd.

Bij besluit van 11 januari 2007, zoals dat naar zijn kennelijke strekking dient te worden opgevat, heeft het Uwv het bezwaar tegen besluit 2 alsnog gegrond verklaard, dat besluit ingetrokken en bepaald dat appellante in aanmerking komt voor ongewijzigde indeling in de bij het besluit van 10 januari 2007 bepaalde klasse 15 tot 25%.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat de besluiten van 10 en 11 januari 2007, nu zij een wijziging inhouden van de bestreden besluiten I en II en voorts gelet op de grieven van appellante niet geheel aan haar beroep tegemoetkomen, met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling dienen te worden betrokken. In verband met de - door de Raad aldus verstane - vordering van appellante tot vergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb van schade die voor haar voortvloeit uit het te laat nemen door het Uwv van besluit 1, heeft appellante belang behouden bij een oordeel over de rechtmatigheid van bestreden besluit I en derhalve belang behouden bij haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

Nu het Uwv de bestreden besluiten I en II niet langer juist acht en deze heeft vervangen door de besluiten van 10 en 11 januari 2007, komt de aangevallen uitspraak, waarbij de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond zijn verklaard, voor vernietiging in aanmerking, evenals beide laatstgenoemde besluiten.

Wat betreft de houdbaarheid in rechte van de besluiten van 10 en 11 januari 2007, overweegt de Raad dat hij zich volledig kan vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank inzake de medische grondslag van de bestreden besluiten I en II. De Raad maakt die overwegingen en dat oordeel tot de zijne. De Raad voegt daaraan nog slechts toe dat appellante in hoger beroep heeft volstaan met een enkele herhaling van haar eigen opvatting dat haar klachten en beperkingen van de zijde van het Uwv zijn onderschat, maar wederom geen medische gegevens heeft ingebracht die tot objectief-medische steun voor die opvatting zouden kunnen dienen. De wel in het dossier voorhanden gegevens afkomstig van de behandelend artsen van appellante - het gaat daarbij om informatie van de huisarts van appellante, een revalidatie-arts, een neuroloog, een arts coördinator Rugschool en een uroloog - wijzen niet in de richting van een onderschatting door de verzekeringsartsen van het Uwv van de beperkingen van appellante.

Voorts heeft de Raad geen aanknopingspunten om de functies zoals die thans als grondslag voor de schatting resteren, niet als voor appellante passend aan te merken. Van overschrijdingen daarin van de belastbaarheid van appellante is aan de Raad niet kunnen blijken. Appellante heeft haar stellingen op dit punt overigens ook in hoger beroep wederom niet geconcretiseerd.

De indeling van appellante ingaande 24 februari 2003 in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% moet dan ook voor juist worden gehouden.

Met betrekking tot de vordering van appellante tot vergoeding van de inkomensschade die zij stelt te ondervinden als gevolg van het feit dat het Uwv, blijkens het tijdstip waarop besluit 1 is genomen, circa twee jaar te laat is overgegaan tot een zogeheten eerstejaars herbeoordeling als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAO, overweegt de Raad als volgt.

Naar kan worden afgeleid uit het beroepschrift, berust appellantes vordering kennelijk op het uitgangspunt dat zij als gevolg van de te late herkeuring haar baan is kwijtgeraakt, zodat het door haar geleden inkomensverlies aan het Uwv valt toe te rekenen. De Raad kan appellante hierin niet volgen. De door appellante gestelde loonschade vloeit voort uit de omstandigheid dat haar voormalige werkgever heeft besloten de dienstbetrekking met appellante te verbreken. Reeds gelet op de aard en inhoud van het onderhavige besluit van het Uwv, te weten een intrekking van WAO-uitkering van appellante op de grond dat zij niet langer geschikt is te achten voor haar eigen werkzaamheden als ziekenverzorgster, maar nog wel in staat is tot het vervullen van diverse loondienstfuncties bij andere werkgevers, valt niet in te zien - appellante heeft dit verder ook niet toegelicht - dat een eerder genomen besluit van dezelfde inhoud en strekking zou hebben kunnen bijdragen aan het behoud van haar betrekking als ziekenverzorgster. Hierbij merkt de Raad op dat appellante zelf geenszins de opvatting is toegedaan dat zij ten onrechte als niet langer geschikt voor haar eigen vroegere werkzaamheden wordt aangemerkt, maar daarentegen zelfs de stelling betrekt dat zij in algemene zin volledig buiten staat is tot het verrichten van inkomensvormende arbeid. De gestelde schade van appellante valt aldus niet in enig relevant te achten verband te brengen met het vernietigde besluit I, zodat haar vordering reeds hierom niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Ten slotte overweegt de Raad dat hij niet toekomt aan een beoordeling van de grief van appellante dat zij niet de volledige kosten vergoed heeft gekregen van een door haar ter hand genomen omscholing tot medisch secretaresse, nu de bestreden besluiten daarover geen beslissing inhouden, en de Raad mitsdien buiten de door artikel 8:69, eerste lid, van de Awb getrokken grenzen van het hem voorgelegde geschil zou treden indien hij daarover een oordeel zou uitspreken.

Er is niet gebleken van aan de zijde van appellante in beroep en in hoger beroep gevallen proceskosten die voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen bestreden besluiten I en II gegrond en vernietigt die besluiten;

Wijst de gevorderde schadevergoeding af;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 164,-- vergoedt;

Verklaart de beroepen van appellante, voor zover deze geacht moeten worden mede te zijn gericht tegen de besluiten van 10 januari 2007 en 11 januari 2007, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en J.P.M. Zeijen als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) P.H. Broier.

BKH 260307